Laatkomer D’Angelo zucht en croont als 21ste-eeuwse Prince

Hij kwam bijna een uur te laat, werd onthaald op luid boegeroep en deed er zeker tien minuten over voordat hij op gang kwam. Maar daarna toonde de dit jaar op de podia teruggekeerde D’Angelo zich in zijn te korte set heer en meester in een paar heerlijk groovende uitgesponnen funkjams. Hij was een sensueel zuchtende crooner in de ontspannen liefdesjam Really Love, een felle funkzanger in het spetterende Chicken Grease en een rauwe soulman in een slepende versie van Shit, Damn, Motherfucker.

Ook in zijn nieuwe, muzikale identiteit – een 21ste-eeuwse, gespierde kruising tussen James Brown en Prince, inclusief de kreetjes en de passie – was D’Angelo met zijn meesterlijke begeleidingsband een verademing in de wat veilige poproute van North Sea Jazz 2012. De zanger en de band varieerden tussen rustig in de groove hangen en dan weer vlammen, en grepen de volgepakte zaal gaandeweg bij de lurven. Bij Untitled (How Does It Feel) zoomde de regie op het videoscherm in op een bezoekster die tot tranen geroerd was.

Ook een aantal veteranen maakte tijdens deze editie indruk. Diva Betty Wright bracht een fantastische set, waarin ze op het ellenlang aangehouden, gouden ritme van Tonight is The Night rappend de jongeren van repliek diende die haar muziek zonder toestemming als sample gebruikten. In Go! vertelde ze over mishandeling, met een nat papiertje als verband op haar gezicht „omdat mijn vriendin er zo uitzag”. Ze zong het haast huilend. Het best was Wright wanneer ze ronkend uithaalde op de fijne, funky discogrooves.

De show van Tony Bennett werd voorafgegaan door een weinig overtuigend optreden van dochter Antonia. Zoveel sterker was de veteraan van de vingerknipjazz zelf. Hij zong zijn kleine liedjes met subtiele muzikale begeleiding; slechts een soepel plukkende contrabas, ruisende bekkens of ingetogen piano. De muziek was er steeds ter ondersteuning van De Stem; soms wat haperend maar vol dramatische details, sfeervol en met de juiste nadruk.

De hype van het festival was het optreden van acteur Hugh Laurie, waarbij de lange rijen buiten de zaal ook tijdens het concert aanhielden. Laurie was gortdroog in de verhaaltjes die hij tussendoor vertelde maar ook in zijn zang. Hij speelde achter de vleugel hoekige meeklapboogiewoogie en huppelblues zoals die in huiskamers en snelwegcafés over de hele wereld wordt gespeeld. Enthousiast maar niet al te virtuoos. De matige vocalist was het best in nummers die hij kon vertolken met een knauwende, theatrale vertelstem die goed aansloot op de jammerende blues.

Het meest daverende popoptreden was deze editie van Seun Kuti, die schetterende, door pulserende percussie aangedreven Afrobeat bracht met heerlijk rollende ritmes, tokkelende funkgitaren en politieke strijdliederen om bij met de heupen te draaien. Een mooi debuut kwam van Lianne La Havas, die afwisselend in haar eentje en met een kleine begeleidingsband popsoul bracht in frisse liedjes met een stem vol rijke klanken, timbre en nuance.

Ook de moeite waard waren de stijlvolle funk-op-herhaling van Janelle Monáe; de ter plekke opgebouwde funkcollages van Noor Bernhoft en de subtiele sfeerpop van James Morrison. Een tegenvaller was het nachtconcert van Lenny Kravitz die vrijdagnacht bedwelmd zijn vaste set afdraaide, met wat obligate poprocksolo’s en, zoals altijd, een lange versie van Let Love Rule; waarin het refrein door de zaal bleef golven en Kravitz met muzikale bondgenoot Trombone Shorty door het publiek waadde.