Knock-out

We gingen winnen. Dat kon niet anders. Minstens tien etappes en de bolletjestrui en het jongerenklassement en welja, die gele trui ook maar meteen. We gingen met z’n allen naar Parijs om ’t te vieren. Olé olé, Hup Holland Hup, We are the champions. Enzovoort.

Maar na een dikke week Tour is het wij-gevoel verdwenen. In de afgelopen dagen is de publieke opinie compleet omgeslagen – en ‘we’ is veranderd in ‘ze’. Niemand wil bij de verliezers horen, Nederlanders al helemaal niet. De renners worden afgemaakt. Ze kunnen er ineens niks meer van. Ze pieken op het verkeerde moment. Ze hebben geen ballen. En ze zijn watjes – net als die voetballers van ons.

De waarheid ligt – zoals zo vaak – ergens in het midden. Zo goed als we dachten waren we niet, maar op de startlijst van deze Tour stond een unieke groep Nederlandse renners. Zowel kwalitatief als kwantitatief. Het moet twintig jaar geleden geweest zijn dat we met zoveel jong talent én zoveel ploegen aan de start van de grootste koers van het jaar verschenen. In het puur hypothetische geval dat alles (maar dan ook alles) mee had gezeten, had dit een Tour kunnen worden waarin Nederlandse sportliefhebbers de kater van het EK weggespoeld hadden. Woutje Poels een rit, Bauke Mollema nog eentje, Johnny H. de bolletjestrui en Robert Gesink op het podium in Parijs – het had zomaar gekund. Op papier dan. Maar op papier win je geen wedstrijden.

De Tour is een klotekoers. Iedere tegenslag is er één te veel. En met tachtig kilometer per uur tegen het asfalt klappen – zoals vrijwel het hele peloton Nederlanders overkwam op weg naar Metz – is niet zomaar een tegenslag. Dat is een knock-out in de eerste ronde. Zelfs als je erin slaagt nog op je fiets te stappen na zo’n klap heb je een koe van een probleem. Het kost weken om te herstellen van zo’n crash, maar die tijd krijg je niet in de Tour.

De kans dat je geen last hebt van schaven en kneuzingen over je hele lichaam is net zo groot als de overlevingskans van een gemarineerde kalkoen in een krokodillenvijver. Je slaapt slecht omdat je overal pijn hebt, ’s morgens word je wakker met de beddenlakens vastgekoekt aan je wonden en als je op de fiets zit ben je zo stijf dat je je afvraagt of je een bezemsteel hebt ingeslikt.

De tweede dag na de val is vaak het ergst. Je spieren voelen als houten plankjes, je trapt je schaafwonden onophoudelijk open. Zoek het maar na in de uitslag van gisteren: er finishte niet één coureur bij de eerste vijftien renners die vrijdag bloedend en schreeuwend in de stapel lichamen en fietsen lag. Ik herhaal: niet één. Het was dus ook niet zo vreemd dat de gekwetste Rabo’s en Vacansoleil-renners niet vooraan terug te vinden waren. Je kunt je overigens wél afvragen of het dan normaal is om 17 minuten te verliezen, zoals Robert Gesink presteerde. Maar misschien dat er bij hem na vier klappers op rij ook een ‘Nee, niet weer hè?’-complex meespeelt.

Het is eigenlijk heel simpel. Eén gigantische crash en we doen mee voor spek en bonen. Dat gaat deze Tour niet meer goed komen ook. Tegen de tijd dat alle schaven en de kneuzingen zijn genezen zitten we al midden in de Olympische Spelen.

Misschien dat we daar nog wat presteren.