Gruwen van uitgelopen aardappels

Huiveringwekkend en stilmakend is de nieuwe novelle van Manon Uphoff. Een werk waarin de verbeelding zwaarder weegt dan de feiten.

Redacteur Boeken

Kwaliteit gaat voor kwantiteit in de kunst. Maar toch betrap je jezelf op een zekere spijt als De ochtend valt, de aangekondigde nieuwe novelle van Manon Uphoff, niet meer dan zestig pagina’s blijkt te omvatten. En als het onderwerp dan ook nog een moeizaam functionerend gezin blijkt te zijn – een thema waar Uphoff sinds haar debuut Begeerte (1995) al veel over heeft geschreven – dan is het grootste gevaar dat je denkt dat je het boekje wel kunt overslaan: been there, done that.

Mis, dus. De ochtend valt begint met de bladspiegel van een gedicht. Het woord ‘Bedroefd’ en dan na een witregel: ‘kan niet denken, kan niet ademhalen/ verander in een machine’. Aan het woord is Michael, een jongen die een ruzie tussen zijn ouders (‘Mah’ en ‘Pah’) gadeslaat – en wat er van die ruzie komt: ‘(mijn vader doodde mijn moeder.)/ Hoe weet ik dat? Ik heb het gezien./ Het was op een maandag./ Haar hoofd in een plas met donker bloed./ Sirenen rondom haar, ik kon ze horen zingen. Hun onmenselijke stemmen duidelijk zichtbaar, als strengen.’

Michael heeft het gezien, maar dan ligt er de volgende dag een briefje op tafel: ‘Jongens, vergeef me, het spijt me, ik moet hier weg, zo kan het niet blijven.’ De jongen concludeert: ‘Het is haar handschrift, dus het is haar briefje (het lijkt echt op het handschrift van Mah)’. Daarmee begint de twijfel van het kind over wat het heeft gezien of gezien meent te hebben. Intussen gaat het leven van de rest van het gezin verder: Michael wordt door zijn vader belast met de zorg voor zijn jongere broer en zus: Natalee en Glenn. Hij smeert hun brood, ruimt hun kleren op, wast, maakt het huis schoon en draagt zorg voor ‘het gedoe rond het koken’. Hij leert de handtekening van Pah namaken voor briefjes die ondertekend door een ouder of verzorger terug naar school moeten. (Waarbij je natuurlijk terugdenkt aan het al dan niet authentieke briefje van Mah).

Intussen vermengt Uphoff de feitelijke mededelingen uit het relaas van Michael met losse observaties en associaties die het spookachtige onheil tastbaarder maken: ‘Ik gruw van de aardappel, van zijn witte uitlopers die in één richting uit de ledemaatloze romp groeien.’

Als daarbij dan ook nog een broeierige strijd lijkt te ontbranden tussen de broers en het zusje – de vader verdwijnt vrijwel geheel uit beeld – lijkt dat de opmaat voor een vreselijke climax.

Het knappe van De ochtend valt is dat Uphoff juist niet zwicht voor de verleiding van die climax. Feitelijk is je aan het eind van de novelle nog steeds niet duidelijk wie wat heeft gedaan. Er zijn in dit gezin vreselijke dingen gebeurd, maar wie nu precies wat op zijn kerfstok heeft? Impliciet stelt Uphoff daarmee dat de feiten er niet zo veel toe doen. Uiteindelijk is het bestaan van een trauma relevanter dan de precieze aanleiding voor dat trauma. Oftewel: de verbeelding weegt zwaarder dan de feiten.

Aan het eind van het boek voegt Uphoff bovendien een laag toe. Daar toont ze hoe Michael met weemoed terugdenkt aan Glenn, Natalee en hun kindertijd. Hij haalt een reeksje herinneringen aan zijn broer en zus op. Daar zit weinig lieflijks bij. Michael concludeert: ‘Dichtbij en op enorme afstand, ik kijk ernaar, een zoet organisch bestaan waarin ik ze wilde vasthouden, ze precies zo wilde houden als ze waren.’

En zo gebeurt het dat een novelle van amper zestig pagina’s amper iets benoemt, maar wel iets toont waar je een tijdje stil van bent.

Manon Uphoff: De ochtend valt. De Bezige Bij, 64 blz. € 14,90