Elke golf sloeg meer drenkelingen weg

Met de moed der wanhoop proberen asielzoekers steeds opnieuw in gammele bootjes van Indonesië naar Australië te komen. De laatste weken zonken er weer twee. „Ik ben bang voor water en boten, maar ik moet weer gaan.”

Een schip van de Australische marine (links) houdt een boot in de gaten met zo’n 180 asielzoekers. De foto werd woensdag genomen vanuit een Indonesische Hercules, zuidelijk van Java. Foto AFP

Een vissersboot! Eindelijk! Redding leek nabij voor de Afghaanse Mohammad Mehdi Muntaziri en ruim honderd andere vluchtelingen. Uren daarvoor was hun schip op weg naar Australië gekapseisd en waren talloze medepassagiers verdronken. De rest dobberde nu in het water, wachtend op redding. Maar de kleine vissersboot die te hulp schoot kon slechts 34 mensen meenemen. Mehdi bleef achter en zag zijn kans op overleving aan de horizon wegvaren.

Drie dagen en drie nachten zou de toen 16-jarige Mehdi in zee drijven. Met tientallen schipbreukelingen hield hij zich vast aan het wrak van het schip, anderen hadden een zwemvest en hielden elkaar vast. Toen viel de nacht. „De volgende ochtend was er niemand met zwemvest meer te zien”, vertelt de knappe Afghaanse tiener in het Indonesische dorp, waar hij na zijn redding in december terugkeerde. Ze zijn nooit meer gevonden.

Bij elke grote golf zag Mehdi hoe medevluchtelingen van het wrak werden afgeslagen. Sommigen haalden het om terug te komen. „Als ze niet konden zwemmen, hoorden we ze schreeuwen. Help, help!” Na de eerste nacht waren nog 35 vluchtelingen over. Losdrijvend hout verwondde zijn benen en rug, hij voelde kleine visjes aan zijn voeten knabbelen.

Na de tweede nacht was er land in zicht. Verschillende mannen zwommen er naartoe, maar niemand haalde het. „Ik heb tien minuten gezwommen, maar toen ben ik teruggegaan naar de boot.” Er bleven veertien mensen over. Onder wie een oude man, die zijn familie had zien verdrinken. Na de derde nacht zei hij ijlend dat zijn vrouw hem riep om thee te komen drinken en stierf hij.

Toen een kolenschip de dertien overlevers uiteindelijk oppikte, duurde het dagen voor Mehdi kon geloven dat hij was gered. „Ik dacht dat ik misschien al dood was.”

Het was de meest dodelijke schipbreuk van een vluchtelingenschip op weg naar Australië sinds 2001. Van de bijna 300 mensen die met Mehdi aan boord gingen om in acht dagen van Surabaya naar het Australische Christmas Island te varen, overleefden er 47.

Ondanks dit soort ervaringen blijven asielzoekers de overtocht wagen. En blijven de boten zinken. De afgelopen weken zonken weer twee schepen en verdronken bijna honderd asielzoekers. De Australische marine kon vorige week een ander schip in veiligheid brengen. Dit jaar kwamen ruim 5.200 bootvluchtelingen aan op Australisch grondgebied, waarmee het recordaantal van 6.500 in heel 2011 nu al in zicht komt.

Het is een politieke nachtmerrie voor premier Julia Gillard van de Labor Party, die met elke boot haar kans op herverkiezing ziet slinken. Hoewel het land jaarlijks ruim 200.000 economische migranten toelaat, hebben veel Australiërs een sterke aversie tegen het relatief kleine aantal ‘bootmensen’. Het was een van de belangrijkste gespreksonderwerpen toen Gillard vorige week de Indonesische president Yudhoyono ontmoette.

Haar pogingen om de boten te stoppen faalden opzichtig. Voor een groots gepresenteerd plan om bootvluchtelingen naar Oost-Timor te brengen, bleek ze geen goedkeuring van Oost-Timor te hebben. Een overeenkomst met Maleisië om 800 bootmensen te ruilen voor 4.000 geregistreerde vluchtelingen, werd afgeschoten door de Hoge Raad. Na twee jaar in functie heeft Gillard meer bootvluchtelingen zien arriveren dan premier John Howard, de vorige recordhouder, in twaalf jaar.

Een groot deel van hen komt vanaf de Indonesische Puncak, de schilderachtige Javaanse bergpas tussen Bogor en Bandung waar ook Mehdi zijn verhaal vertelt. Tussen de rijstterrassen zie je Somalische families, Afghaanse jongens en Iraanse bejaarden die hun land zijn ontvlucht. Indonesië neemt hen niet op. Wel worden ze er beoordeeld door vluchtelingenorganisatie UNHCR van de Verenigde Naties. Wie echt een vluchteling blijkt, mag wachten op een plek in een land dat wel vluchtelingen accepteert.

Maar de lange duur van de procedure drijft velen tot wanhoop. Zoals Mehdi. Zijn middenklassefamilie van Afghaanse Hazara’s vluchtte tien jaar geleden van Afghanistan naar Pakistan, maar is daar nu ook niet meer veilig. Alle hoop van de familie was op Mehdi gericht. Na een barre jungletocht via Maleisië arriveerde hij in februari 2011 in Indonesië. Hij is officieel als vluchteling aangemerkt. Maar hij heeft haast, want de rest van zijn familie zit nog in Pakistan en wil snel weg.

Dus wendde hij zich tot een mensensmokkelaar. Tijdens zijn eerste poging raakte de boot na twee dagen lek en stond het water hun al snel tot het middel. Ze werden gered door een veerboot. De tweede keer hield de politie de bus aan die hen naar de boot zou brengen.

Toen hij in december aan boord wilde gaan, zag Mehdi meteen dat het schip te vol was en wilde hij terug. Maar dit keer had hij 4.000 dollar contant betaald: door zijn moeder bijeengesprokkeld met leningen en verkoop van juwelen en overgemaakt via Western Union. Omdat de mensensmokkelaar een goede naam had, vertrouwde Mehdi erop dat hij niet zou worden opgelicht, zoals veel van zijn medevluchtelingen is overkomen. Terugkeer zou betekenen dat hij zijn geld kwijt was. Bovendien dreigde de mensensmokkelaar hem uit te leveren aan de politie.

Honderden vluchtelingen plannen op dit moment op deze manier hun levensgevaarlijke overtocht. Zelfs meer dan gewoonlijk, zegt Mehdi. Alle twintig minderjarige Afghanen in zijn opvanghuis willen zo snel mogelijk gaan. Zij vrezen nieuwe verkiezingen, waarbij de Liberale Partij aan de macht kan komen. Hun voorman Tony Abbott heeft gezegd dat hij boten wil terugslepen naar Indonesische wateren, met slechts genoeg benzine om naar de kust van Java te komen. Het maakt dat vluchtelingen nu ook tussen mei en juli uitvaren, wanneer het water gevaarlijk hoog is.

Mehdi wil eigenlijk geen boot meer zien. De anderhalf jaar in Indonesië waren de meest vreedzame in zijn leven, zegt hij. Hij spreekt vloeiend Engels en Indonesisch, en heeft een lokaal vriendinnetje. Maar zijn moeder belt met regelmaat waarom hij nog niet in Australië zit. De familie heeft 10.000 dollar in hem geïnvesteerd. En het kan wel drie jaar duren voor een land als Nederland hem wil opnemen. „Ik ben bang voor water en boten, maar ik móét wel weer gaan”, zegt Mehdi. Een huisgenoot die dezelfde schipbreuk overleefde, deed het ook opnieuw. En die zit nu in Perth.