De poëet: romantisch én constructief

Denk ik aan Gerrit Komrij, dan denk ik aan zijn ‘gedicht met de losse woorden’, zoals ik het altijd noem. Het is het gedicht dat begint met de regel „Hem vliegen losse woorden naar de keel.” Daarna krijgen we een paar van die losse woorden te lezen. „Een grenspaal. Vale paarden. Takkebossen.” En nog een paar. „Oog. Krijt. Een legioen.” Het is een moment van dichterlijke bevlogenheid. De woorden „dansen door het luchtruim” en dringen zich aan de dichter op, maar wat moet Komrij ermee? Hij weet het niet. Hij probeert wat zinnen, maar kan er geen gedicht mee maken. Hij besluit ze dan maar los in zijn hoofd op te slaan. Daar liggen ze dan. „Het lijkt of ze voorgoed begraven zijn.” Maar dan gebeurt er iets wonderlijks. Buiten de dichter om begint een dunne draad, „gesponnen uit melancholie en pijn”, zich een weg te zoeken van het ene losse woord naar het andere. Er ontstaat een web, en zie: uit dat web van woorden valt dan ineens een vers – „als een bom.”

Gerrit Komrij betrad de literaire wereld in 1968, op zijn 24ste – ook als een bom. In een tijd van het vrije vers en maatschappelijk engagement deed hij zich met zijn eerste bundel voor als een ouderwetse dichter. Rijm en regelmaat, een motto van de vergeten negentiende-eeuwer Staring, ironie, een speelse en spottende toon. Dat was in het begin zijn handelsmerk: het verzet tegen de heersende poëzie van Vijftig.

Het kreeg een heldere uitdrukking in zijn beroemde bloemlezing De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw in 1000 en enige gedichten (1979) – ook een bom. Daarin begon de moderne poëzie niet, zoals iedereen toen geneigd was te denken, in 1950, en ook niet in de jaren van het modernisme, in 1920, maar ruim een eeuw eerder – met een lang, verhalend gedicht van diezelfde Staring. De Vijftigers kwamen er nauwelijks in voor. Hier werd een heel nieuw spoor door de Nederlandse poëzie getrokken, en hier kwam een heel eigen smaak aan het licht: geestig, gevoelig, spits, verstaanbaar.

De spottende dichter Komrij begon later, toen zijn naam gevestigd was, wonderlijk genoeg steeds meer trekken aan te nemen van de dichters die hij aanvankelijk zo bestreden had. Dat kun je heel mooi zien, vind ik, in dat losse woorden-gedicht, uit 1982. De dichter zit er maar zo’n beetje bij – en wordt zelf ook verrast, en geraakt („als een bom”), door het gedicht dat zich vanzelf tussen de woorden heeft gevormd. Nog verrassender: als we de bladzijde omslaan, zien we het gedicht dat Komrij met die losse woorden heeft gemaakt. Daarin gaat het er met die paarden, takkebossen, krijt en grenspalen wild aan toe. Dan kan een dichter zich opeens oppermachtig voelen. Hij kan met die woorden verzinnen wat hij wil. Maar dan? Wat moet je ermee? Opnieuw neemt de reeks een verrassende wending. Op de volgende bladzijde neemt Komrij nog een keer afstand van zichzelf. Hij slaat nu een smalende toon aan: op papier kan het er wild aan toe gaan, maar in werkelijkheid merken we er niets van. Geen ontploffing, geen bom, onze handen zijn niet eens verbrand. En dan vaagt hij in de slotregel ook zichzelf maar van de mat: de dichter is niet alleen een simulant, „hij verbeeldt zich ook nog wonder wat.”

De dichter Komrij was geneigd zich over te geven aan oude romantische impulsen, maar hij bleef de zaak wel degelijk als een koele constructeur besturen. Hij leed, maar probeerde zijn leed te verbergen achter een masker. Af en toe kwam zijn ware gezicht te voorschijn – en dan zag je leegte, en radeloosheid. Het waren niet alleen losse woorden die hem naar de keel vlogen.