De opkomst van de welvaart in grijze snapshots

William Eggleston, ‘Untitled’, ca.1960-1965 Eggleston Artistic Trust, Photo Courtesy Cheim & Read, New York

William Eggleston Before Color. T/m 26/8 in het Nederlands Fotomuseum, Rotterdam. Inl: www.nfi.nl

Een land met groeistuipen, zo zagen de Verenigde Staten er begin jaren zestig uit. Alles groeide, van de suikerspinkapsels tot de Amerikaanse sleeën. De destijds nog jonge fotograaf William Eggleston (1939) legde die ongemakkelijke adolescentie van de Amerikaanse welvaart vast.

Niet alleen de consumptiemaatschappij groeide, ook Eggleston was bezig een beroemd fotograaf te worden. Hij had toen de kleurencamera nog niet waarmee hij over zijn Americana een lyrisch kleurenpalet heen zou leggen, van vaalblauwe motorkappen tot roodharige meisjes. Als kleurenfotograaf zou hij vanaf de jaren zeventig doorbreken, maar in de jaren zestig werkte hij nog in zwart-wit, kleinbeeld.

Hoe dat eruitzag is nu te zien in het Nederlands Fotomuseum. Die tentoonstelling met 37 foto’s is een soort triomf, een vondst. Onlangs werd een doos vroeg werk van Eggleston ontdekt – een voorbode van wat een wereldberoemd oeuvre zou worden. Het is logisch dat het museum de foto’s wil tonen, zelfs al zie je er de grootsheid van Eggleston nog nauwelijks aan af. Wel zie je hoe hij, geïnspireerd door de alledaagse onderwerpen van Cartier-Bresson en Evans, de Zeitgeist van zijn wereld wist te vangen in het suburbia van Memphis, Tennessee.

Eggleston fotografeerde er een winkelstraat waar de mensen langs overvolle etalages paraderen, de symbolen van de economische groei bewonderend. Een ander beeld toont een autoverkoper die zijn sleeën buiten opgesteld heeft staan, onder lampjes en neonreclames. Op de achtergrond verrijzen bedrijfspanden in een stoffig landschap dat nog niet doorheeft dat het stedelijk gebied gaat worden.

Het is een reeks met de toevalligheid van snapshots – incidenteel en nonchalant – met juist daardoor een zeker waarheidsgevoel; alsof dit echt het Amerika van toen was. Dat komt door de terloopse manier van presenteren – een oude fauteuil, een bloemenstal, een dame in stola, een gemaaid gazon, een man in een wachtkamer. Kiekjes. Met als enige constante telkens weer die Amerikaanse sleeën en die enorme lege parkeerplaatsen langs al die nieuwe wegen.

Het geeft een rusteloos gevoel, die Amerikanen die maar rondhangen en telkens onderweg moeten zijn, naar huis en naar een betere toekomst. Maar tegelijk zijn het ook echt snapshots, individueel oninteressant. Het zijn geen foto’s die op zich kunnen staan, die betoveren. Hoe anders dat zou worden, blijkt vooral door die ene kleurenfoto uit 1974 die het museum er toch ook maar exposeert. Dit werk is zo anders, dat het er wat verloren bij hangt. Ook hier zien we een doodgewoon onderwerp, twee pubermeisjes op een bank. Toch gebeurt hier tien keer meer dan op Egglestons oudere zwart-witafdrukken. Eén meisje ligt er onbewogen bij, haar vriendin probeert haar ergens toe over te halen, en doet dat met een sensualiteit waar ze nog geen weet van heeft. Haar rode lokken hangen naar voren, haar bloemige blouse vloekt met het rozendessin van haar ouders bankstel, waarboven in een klein armoedig glaasje een rode bloem staat. Het is slechts een anjer, maar hier, op deze wonderschone foto, is het de papaver uit de prerafaëlitische schilderkunst waar Rossetti’s stervende liefde Beatrijs aan snuift terwijl ze de onverbiddelijkheid van de dood binnentreedt. Maar dan bij twee hangerige pubers in een tuttige huiskamer.

Opgroeien, schoonheid, leven, passie – alleen deze foto al maakt duidelijk waarom Eggleston met zijn kleurencamera beroemd zou worden, niet met zijn zwart-witfotografie. Daar blijven de bloemen grijs.