De literaire kameleon

Gerrit Komrij is dood: de schrijver die niet serieus wilde zijn, maar wel serieus wilde worden genomen. Komrij provoceerde graag, maar had ook een groot vermogen om het werk van anderen te bewonderen en uit te dragen.

Arjen Fortuin

Redacteur Boeken

‘Ik moet in mijn eentje de grote drie opvolgen”, zei Gerrit Komrij in 1997. „En daarvoor moet ik mij verenigen met de homoseksualiteit van de heer Reve, de scherpe pen van de heer Hermans en de ijdelheid van de heer Mulisch.” Hij zei het gekscherend, zoals Komrij veel gekscherend zei. Intussen bleek de donderdag op 68-jarige leeftijd overleden schrijver een eigenschap te hebben die de andere drie misten: die om anderen, vooral dichters, te bewonderen en hun een plaats in de zon te geven.

De P.C. Hooftprijswinnaar van 1993 kwam de Nederlandse literatuur eind jaren zestig binnen als enfant terrible dat dwars tegen alle avant-gardistische modes inging. Hij verlaat het literaire leven bijna een halve eeuw later niet alleen als gelauwerd essayist, dichter en romanschrijver – maar ook als de belangrijkste bloemlezer van zijn generatie. Gerrit Komrij gaf Nederland zijn literatuur van vóór 1850 terug, hij liet ons de Middeleeuwen herontdekken. Toen hij in 2000 werd gekozen tot eerste Dichter des Vaderlands, richtte hij de aandacht niet op zichzelf, maar op anderen. Hij zette een poëziereeks op, een tijdschrift (Awater) en een poëzieclub. Binnen de kortste keren was de Dichter des Vaderlands een instituut en had Komrij via een omweg bereikt wat hij naar eigen zeggen altijd had gewild: „Ik wil niet serieus zijn, maar wel au sérieux worden genomen.”

Dat laatste was niet vanzelfsprekend, want Gerrit Komrij was vooral ook graag ongrijpbaar. Hij genoot van het literaire spel, van de mogelijkheid zijn publiek te bedotten en steeds een ander masker voor te doen.

Achter die maskers verschool zich de auteur van een aantal schitterende gedichten en de prachtige autobiografische roman Verwoest Arcadië (1980). Het is een evocatie van een jeugd in de provincie, gedragen door het verlangen naar een verloren onschuld – en een verslag van de ontdekking van de eigen homoseksualiteit. En daarna dat van het feit dat hij niet de enige jongen was die op jongens viel.

Vaak draait het in het werk van Komrij om verlangen, tot in zijn dit voorjaar verschenen laatste roman De loopjongen toe. Waarbij het verlangen naar het verleden bij Komrij wonderlijk samenging met een niet aflatende belangstelling voor wat er nieuw was, en voor de jeugd. Want waar Gerrit Komrij de laatste jaren ook opdook, er was altijd een constante: om zich heen verzamelde hij jonge mensen die aan zijn lippen hingen, luisterend naar zijn zware nasale stem, die al zijn opmerkingen van een ironische laag leek te voorzien.

Toen hij zelf jong was, trok vooral Komrijs tegendraadsheid de aandacht. Zijn eerste gedichten hadden het idee al doen postvatten dat hij een literaire potsenmaker was. Komrij was bereid vijanden te maken en koketteerde daarmee. „Ik ben een kameleon die altijd in de verkeerde kleur schiet”, zei hij.

Komrij (1944) werd geboren in Winterswijk. Hij doorliep er de lagere school en meldde zich in 1956 bij de plaatselijke hbs. Hij was het soort jongen dat niet opviel bij medeleerlingen, maar des te meer bij leraren. Hij vertrok na zijn eindexamen naar Amsterdam om Nederlands te studeren – en ‘om de zonde’. In 1967 belandde hij bij De Arbeiderspers. Hij deed wat redactiewerk, werd redacteur van Maatstaf en debuteerde met de vertaling van Pausin Johanna, een boek van de Nieuw-Griekse auteur Emanuel Rohidis. Hij zou nog jaren blijven vertalen – vooral zijn Shakespeare-vertalingen baarden opzien.

Intussen werd zijn poëzie gemengd ontvangen. Zijn rijmende en geestige werk sloot nu eenmaal meer aan bij het verre verleden dan bij de experimentele dichters van zijn eigen generatie. Van de modieuze linksigheid uit die jaren moest hij ook al niets hebben. De ene recensent vond zijn werk melig, de ander ontwaarde ‘technische juweeltjes’. Zijn poëzie en zijn romans waren nooit onomstreden.

Faam kreeg hij door zijn polemische boekbesprekingen in Vrij Nederland in de jaren zeventig. Hoewel, boekbesprekingen? Echte recensies waren zijn polemieken niet. Criticus zijn vond hij „niet meer dan het zich tegen een vorstelijke beloning vrolijk maken ten koste van anderen”. Het grote publiek leerde Komrij kennen toen hij in 1976 optrad als televisiecriticus voor NRC Handelsblad, programmamakers tegen zich in het harnas jagend en en passant het woord treurbuis uitvindend.

In 1979 sloeg zijn duizend pagina’s dikke De Nederlandse poëzie van de negentiende en twintigste eeuw in 1000 en enige gedichten in als een bom. Hij gaf weinig aandacht aan volgens hem ‘overschatte’ groepen als de Tachtigers en de Vijftigers en veel aan de vroegere 19de-eeuwse poëzie. Binnen tien dagen werden 20.000 exemplaren van de bloemlezing verkocht. ‘De dikke Komrij’ werd de norm. Hij maakte nog twee delen met oudere poëzie en een deel met Zuid-Afrikaanse gedichten, waarbij hij zulke buitenissigheden uit de archieven opdiepte dat critici zich afvroegen of de oude kwajongen Komrij niet het een en ander zelf had verzonnen.

In 1984 had Komrij Nederland al verlaten. Hij vertrok met zijn partner Charles Hofman naar een minuscuul gehucht in Portugal, in voorspelbare tegenspraak met een bewering van zes jaar eerder, namelijk: „Ik aard beter tussen stenen dan in de natuur.” Na een paar jaar verhuisde hij naar een wat grotere plaats, waar twee samenlevende Nederlandse heren met minder argwaan werden gevolgd. Maar wat hij jarenlang niet meer deed, was dichten. „Blijkbaar is het dichterschap geen constante toestand”, zei hij tegen het Algemeen Dagblad. Wel leverde zijn Portugese leven de mooie roman Over de bergen (1990) op.

Toen hij in 2000 werd gekozen tot eerste Nederlandse Dichter des Vaderlands, verbaasde hij vriend en vijand door de ernst waarmee hij die taak op zich nam. De eretitel maakte hem oprecht trots, zei schrijfster Mensje van Keulen, jaren met Komrij bevriend, in 2000. „Ik zie hem nu zelfs zijn grafschrift veranderen. Dat was altijd ‘Hier ligt Gerrit Komrij. Ik denk dat ik omrij’. Maar ik denk dat hij er nu wel ‘Dichter des Vaderlands’ op wil zetten.”

In de loop der jaren nam Komrij minder poses aan: in 1995 noemde hij een bloemlezing uit zijn eigen interviewcitaten veelzeggend De Buitenkant en hij publiceerde zelfs een boekje Intimiteiten. Steeds vaker vroeg hij aandacht voor de Gerrit Komrij achter de maskers. En alle ironie was op slag verdwenen toen de Amsterdamse hoogleraar tekstwetenschap Teun van Dijk hem er in 1990 publiekelijk van beschuldigde een racistisch pamflet te hebben geschreven onder het pseudoniem Mohammed Rasoel. Verbaal terugvechten was niet voldoende; Komrij deed aangifte van smaad. Van Dijk werd niet vervolgd.

Vanaf de jaren negentig werd de erkenning algemeen. In 1993 kreeg hij de P.C. Hooftprijs voor zijn beschouwend proza, die hij ongetwijfeld liever voor zijn gedichten had gehad – Gerrit Komrij heeft zich altijd in de eerste plaats als dichter beschouwd. De eretitel Dichter des Vaderlands droeg hij met eer, al aarzelde hij niet zijn positie plotseling op te geven voor het einde van zijn ‘ambtstermijn’ toen het hem te druk werd.

Want eigenzinnig en nieuwsgierig bleef Gerrit Komrij hoe dan ook. Het leverde unieke en soms zeer vreemde boeken op, zoals een paar jaar geleden Komrij’s Kakafonie. Encyclopedie van de stront, een prachtboek over poep in al zijn verschijningsvormen.

Zijn nieuwsgierigheid toonde hij ook in zijn decennialange medewerking aan NRC. Die varieerde van de (na bundeling met een Gouden Uil bekroonde) reeks mini-essays over poëzie In Liefde Bloeyende tot reguliere columns en een briefwisseling met zijn jongere collega Hafid Bouazza, waarin hij die afwisselend streng en liefdevol onderhield over werk en leven.

Zijn laatste reeks columns ging niet over het oude, maar over het nieuwste. Onder de noemer Komrij 2.0 schreef hij over internet. Dus legde hij in april de lezers van deze krant uit waarom Facebook volgens hem te verkiezen was boven Twitter: „Twitter is een commandopost, een vluchtheuvel, Facebook een kippenhok, een parlement […] Facebook omringt je met warme liefde en kritiek. Op Facebook moet je tegen een stootje kunnen.” Je begrijpt waarom hij zich er thuis voelde. Na die laatste uitleg zweeg Gerrit Komrij. In de krant, op zijn blog, op Twitter en nu voor altijd.