De Bovenbazen (47)

Heer Bommel wierp een bewogen blik door de opstijgende stofmassa’s.

‘Vroeger…,’ zo riep hij boven het gedaver van een langstrekkende machine uit, ‘eh… vroeger was hier toch een b-bos? Een eikenwoud?’

De professor knikte glimlachend.

‘Ja,’ gaf hij toe. ‘Allerhand wild boomgegroei. Maar daaronder zat een rijke laag, dat ontdekten wij in der laboratorium. Wij hebben mammoetschuivers ingezet – en die maken geen scherts met der struikwerk.’

Zo sprekende wees hij op een voertuig dat voor hem halt gehouden had en dat nu onder donderend geknal en schokkend beweeg een geweldige slok aarde en rotsen tot zich nam.

‘Der schuiver vermaalt der zaak tot pulp!’ schreeuwde hij met geoefende keelstem. ‘Der pulp wordt geschud onder magneten waaraan der Solium als een gans fijne aanslag blijft kleven. Een gram per dubbele kwadraat kilometer! Grootaardig, wat?’

‘J-ja,’ stamelde heer Ollie. Hij wilde meer zeggen, doch een benauwde hoestbui sneed hem de adem af. Met een flauwe groet wendde hij zich om en liep heen om wat frisse lucht te zoeken.

Toch machtig, die techniek, dacht hij, terwijl hij reutelend een afgegraven heuvel naderde. Eén gram Solium… een jaar energie… dat is grootaardig, bedoel ik… Uche, uche…