Ambassadeur glijdt uit op Twitter: hoort erbij

Een uitglijder is gauw gemaakt, zeker op Twitter, en helemaal als je de Amerikaanse ambassadeur in Rusland bent. Michael McFaul, sinds januari Obama’s man in Moskou, is een kenner van Rusland die het Russisch al jaren beheerst. Maar sommige finesses van de straattaal op Twitter waren hem blijkbaar toch ontgaan.

Als intensieve twitteraar meldde hij vorige week op het sociale netwerk dat hij naar Jekaterinburg, in de Oeral, zou gaan. Hij noemde de stad kortweg Yo-burg, een door Russen veel gebruikte bijnaam met, voor wie het horen wil, een obscene bijklank. Blijkbaar kun je er iets als ‘Neukburg’ in horen.

Dat werd de ambassadeur door verontwaardigde Russische twitteraars („You are Yoburg yourself, McFuk!”) meteen ingepeperd. Dat Russen zélf zo’n bijnaam gebruiken, vooruit, maar een Amerikaanse ambassadeur ...

Haastig bood McFaul zijn excuses aan. Maar hij meldde ook laconiek: „De rijkdom van de Russische taal op Twitter blijft me verbazen.” Het afgelopen half jaar is hij wel in grotere problemen verzeild geraakt. Eerst toen hij al op zijn eerste dag in Moskou tot woede van de autoriteiten vertegenwoordigers van de oppositie ontving voor een gesprek. En vervolgens toen hij uitgebreid ging twitteren over de demonstraties tegen de herverkiezing van president Poetin. Het Kremlin en zijn handlangers laten sindsdien maar weinig kansen onbenut om McFaul dwars te zitten.

Maar de Amerikaan houdt zich goed, en hij blijft er vrolijk op los twitteren, in het Engels én het Russisch. Blijkbaar vindt hij het versturen van berichtjes van maximaal 140 tekens belangrijk genoeg om er af en toe een uitglijder voor te riskeren. En hij is niet de enige topdiplomaat die er zo over denkt.

Prominente Amerikaanse ambassadeurs, van Susan Rice bij de Verenigde Naties tot Ivo Daalder bij de NAVO, zijn ook fervente twitteraars. Voor het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken horen de sociale netwerken Twitter en Facebook bij moderne diplomatie, het zijn communicatiemiddelen die diplomaten moeten benutten.

Dat vergt een cultuuromslag. De cultuur van Twitter en Facebook is snel, open en informeel, terwijl diplomatie van oudsher de tijd neemt, zich afspeelt achter gesloten deuren en hecht aan formaliteiten. Geen wonder dus dat het even wennen is. Ook in Nederland.

Begin dit jaar nog werd een Nederlandse ambassadeur door minister Rosenthal op de vingers getikt, omdat hij twee jaar eerder op Facebook het vind-ik-leuk-tekentje had aangeklikt bij een website tegen regeringsdeelname van de PVV. „De ambassadeur had zich moeten onthouden van het publiekelijk uitspreken van een dergelijk persoonlijk politiek oordeel op zijn persoonlijke Facebook-pagina”, schreef de minister nadat er vragen over waren gesteld in de Tweede Kamer.

Die reactie was wat krampachtig. Sociale media zijn nu eenmaal sterk persoonlijk en er heerst altijd een zekere ongedwongenheid. Dat er daardoor af en toe iets misgaat, hoort daarbij. Inmiddels geldt voor Nederlandse diplomaten dat ze op Twitter en Facebook mogen zeggen wat ze willen, zolang het de goede vervulling van hun functie maar niet hindert. En die afweging moeten ze zelf maken.

Dat is een realistische benadering. Je kunt toch moeilijk steeds een akkoordje bij je chef gaan halen voor je een tweet de wereld in stuurt. Dan maar af en toe de mist in.

Maar het blijft oppassen voor twitterende diplomaten. Ze vertegenwoordigen in de buitenwereld hun land en dat is een ernstige zaak. Het is goed als ze via Twitter hun netwerk kunnen uitbreiden en een breder publiek kunnen vinden voor hun boodschap. Maar als ze signalen uitsturen die in strijd zijn met het beleid van hun regering, zaaien ze verwarring.

Mag een diplomaat op Twitter kritiek uiten op het partijprogramma van de VVD, de partij van zijn minister, zoals laatst gebeurde? Het ging niet om regeringsbeleid, althans nóg niet, dus het lijkt me geen probleem. Maar mopperen over het beleid dat je moet uitvoeren? Beter eerst even tot tien tellen – ook al is dat eigenlijk tegen de geest van Twitter.