Verslag: Bruut!, Yuri Honing en Nick Waterhouse in het NRC Jazz Café

Yaël Vinckx in gesprek met de heren van Bruut! Foto Karima Lacourt Yaël Vinckx in gesprek met de heren van Bruut! Foto Karima Lacourt

Lang verwacht, toch gekomen. En dat gold niet alleen voor het optreden van de Nederlandse band Bruut! op het North Sea Jazz Festival en in het NRC Jazz Café, maar ook voor hun debuutalbum. Begin dit jaar was ‘ie er, met dertien eigen composities. “Superjazz” noemde saxofonist Maarten Hoogerhuis de voortdenderende trein van jazz, rhythm & blues en pop.

Even later zouden ze hun superjazz, met een hoofdrol voor de Hammond van toetsenist Folkert Oosterbeek, laten horen in de Mississippi, al misstaan ze ook niet op een popfestival. Vinden ze zelf ook. Want zouden ze een keuze moeten maken tussen het Bimhuis of Lowlands, dan kiezen ze voor Lowlands. Hoogerhuis: “In het Bimhuis zit het publiek. Da’s niets voor ons”.

De songs, ze komen voorbij met de snelheid van een Thalys, schrijven ze zelf, met z’n vieren. En ja, dat kan een behoorlijke chaotische bedoening zijn, verklaarde Hoogerhuis. “Aan het eind van de dag hebben we dan een song, maar begrijpen we zelf niet hoe die tot stand is gekomen.”

Ook saxofonist Yuri Honing, die even later op de bank in het NRC Jazz Café aanschoof, flirt openlijk met popmuziek. In 2006 begon hij aan zijn project Wired Paradise, een elektronische jazzband die hij naast zijn akoestische kwartet opzette.

Luister hier het hele interview met Yuri Honing terug.

Dat leidde tot opgetrokken wenkbrauwen. Maar Honing diende hen in het café van repliek: “Jazzmuziek zit vast in een stramien. Zo moet het, niet anders. Terwijl ik juist jazz ben gaan spelen om buiten grenzen te kunnen treden.” Vroeger ja, toen waren jazzmuzikanten vrij. “Rollins, Coltrane en Miles Davis maakten muziek die in het nu stond. Ze keken niet achterom.” Nu wil hij heus niet zeggen dat er na 1958 nooit meer goede jazzmuziek is gemaakt, maar de vrijheid en de echtheid die hij zoekt, vind hij tegenwoordig meer in popmuziek.

Zanger/gitarist Nick Waterhouse heeft daarentegen weinig op met hedendaagse popmuziek. De 24-jarige blanke Amerikaan luistert liever naar zwarte soul uit de jaren zestig – en maakt zich dat geluid vervolgens eigen op zijn debuut Time’s all gone. Geboren in de verkeerde huid en in de verkeerde tijd, constateerde interviewer Yaël Vinckx. Maar dat vond hij een ‘bold statement’. “In Amerika zou je daar niet mee weg komen.”

Hij is er niet op uit om perse een retro geluid te produceren. “Ik ben een kind van de internetgeneratie.” Hij vindt oude, analoge instrumenten gewoon mooi. En hij houdt van vintage. Zijn eerste single was Some Places, en die kwam uit op 45 toeren. Hij maakt hem volgens eigen zeggen “zonder enige ambitie”. Maar het liep goed en met de opbrengst financierde hij zijn eigen debuut.

Begonnen zonder ‘enige ambitie’ staat hij nu op North Sea Jazz en leidt hij een band van 8 muzikanten. Zelf moet ‘ie er ook om grinniken. “En dat terwijl ik dacht dat ik met mijn muziek nooit buiten de provincie zou komen!”