Schotse antiheld rekent af met Britse obsessie

Voor het eerst sinds 1938 staat er een Brit in de Wimbledon-finale. Andy Murray is de hoop van een gevallen tennisnatie.

De 126ste editie van de Wimbledon Champion-ships moest nog beginnen toen Judy Murray twee weken geleden met haar Set 4 Sport-organisatie een bezoek bracht aan de Londense wijk Ealing. Over het belang van sport en spel voor kinderen sprak ze honderduit op de tennisbanen bij Lammas Park. Maar over zoon Andy – Britse hoop in bange tennisdagen – wilde ze niet praten. Alles wat ze zegt, gaat een eigen leven leiden, maakte ze duidelijk.

Hoe dichter op Wimbledon, hoe meer de hysterie rond haar zoon toeneemt en Judy Murray er dus het zwijgen toedoet. Ze wilde nog wel even voordoen hoe Andy en zijn broertje Jamie vroeger tennisten met blikken deksels, een pingpongballetje en pakken cornflakes als net.

De tennisnatie in verval klampt zich vast aan een Schot die voor het eerste Britse Wimbledonsucces moet zorgen sinds Fred Perry in 1936. Vrijdag liet Andy Murray zien uitstekend met die druk om te kunnen gaan. Op het centercourt versloeg hij de Fransman Jo-Wilfried Tsonga in de halve finale met 6-3, 6-4, 3-6 en 7-5. Zo rekende hij alvast af met één nationale obsessie: er staat weer een Brit in de Wimbledon-finale. Toeschouwers gingen uit hun dak toen uit de videobeelden bleek dat zijn forehandreturn op matchpoint wel degelijk op de lijn was.

„De wedstrijden op het centercourt zijn ten einde. Een prettige dag nog”, sprak de onderkoelde stadionspeaker even later. Alsof niet zojuist de eerste Brit sinds Bunny Austin in 1938 de finale had bereikt. Steeds strandden Britse kanshebbers ergens onderweg naar de finale. Zo verging het bijvoorbeeld Tim Henman, die rond de eeuwwisseling vier keer de halve finale haalde. En de afgelopen jaren was Andy Murray de man die het net niet kon volbrengen. „Vandaag begint the agony with Andy”, sprak BBC-presentatrice Sue Barker vorige week dinsdag voorafgaand aan Murray’s eerste partij.

Opgeklopte hoop, bittere teleurstelling. Zo zou het wel weer gaan. „Agony? Tja, het zijn de media die dat soort termen verzinnen”, zegt dubbelspeler Ross Hutchins. De Londenaar, geboren in de wijk Wimbledon, is een goede vriend van Murray. „Als je de succesvolste en beroemdste Britse tennisser bent, is het logisch dat je in de schijnwerpers staat. Hij gaat daar ontzettend goed mee om. Ik heb hem de afgelopen dagen een paar keer gesproken en hij is echt niet anders dan een paar weken geleden.”

Murray speelt met verve de rol van antiheld. Hij houdt niet van de camera en mist de fysieke uitstraling van een superatleet. Tennisidool van een natie, ondanks zichzelf. Aan hem lijkt het gedoe allemaal niet besteed. „Ik doe het in eerste instantie voor mezelf”, zei hij na zijn gewonnen kwartfinale tegen David Ferrer. Met die overwinning op de Spanjaard kwamen er alvast twee dagen „Murray-mania” bij, legde de BBC-verslaggever hem direct na de partij plagerig voor. „Yeah”, reageerde Murray – met een blik van: het zal wel.

Britten verliezen zich doorgaans in zelfoverschatting als het op sportieve prestaties aankomt. Nergens is dat opportunisme zo manifest als tijdens Wimbledon. De overige vijftig weken per jaar is tennis namelijk nauwelijks interessant. Tim Henman moest altijd hard lachen toen hij de krantenknipsels na Wimbledon doornam, zo zei hij vrijdag in The Times. Diezelfde krant kopte met: ‘Murray heeft geen last van de druk, maar wij dan?’

„Ach ja, je weet hoe wij Britten zijn”, grijnst Mark Petchey. Als trainer bracht hij Murray in de top-50 van de wereldranglijst toen de Schot achttien jaar oud was. De enorme verwachtingen maken het niet makkelijker voor Murray, stelt Petchey. „Maar je moet het goede met het slechte nemen. Je verdient ook veel geld als je Brit bent en heel goed bent. Ik denk dat Andy commercieel de vruchten heeft geplukt van zijn status. De keerzijde is dat de media en de spotlights zo nadrukkelijk op hem gericht zijn. Zeker nu.”

Aan de populariteit van publieksspeler Henman heeft de Schot Murray tut dusver niet kunnen tippen. „Tim heeft echt alles uit zijn mogelijkheden gehaald”, zegt Petchey. „Dat waardeerde het publiek enorm. Hij genoot er ook echt van en liet zich meevoeren door de sfeer op het centercourt. Andy heeft dat minder, maar de lat ligt voor hem wel hoger. Het enige dat op zijn schouders drukt zijn de verwachtingen die hij van zichzelf heeft. Het maakt hem echt niet uit wat anderen over hem denken. Daarmee word je niet de lieveling van iedereen, maar dat is wel de kwaliteit waardoor hij waarschijnlijk een grandslamtitel gaat pakken.”

Soms, heel soms, lijkt het alsof er op Wimbledon krachten werken die Murray een handje helpen. De Kroaat Ivo Karlovic, bijvoorbeeld, bekroop dat gevoel toen hij in zijn partij tegen de publiekslieveling zeven keer werd bestraft voor voetfouten. De organisatie leek alle schijn van partijdigheid te willen vermijden door Murray in een volgende ronde bij slecht weer op de onoverdekte baan 1 te laten spelen. „Wat zijn jullie toch keurig rechtdoorzee”, schamperde Amerikaan John McEnroe op de BBC.

Het grootste cadeau had Murray al gekregen met de uitschakeling van Rafael Nadal. Zijn Spaanse nemesis, de afgelopen twee jaar de betere in de halve finales tegen Murray, struikelde in de tweede ronde over de Tsjechische ‘nobody’ Lukas Rosol en vormde geen bedreiging meer in zijn helft van het toernooischema. Vanaf dat moment maakte het traditionele wachten op uitschakeling plaats voor hoopvolle verwachting. Een ander soort druk om mee om te gaan.

Murray tennist allang niet meer alleen voor zichzelf. Het land rekent op hem. Hoe dat voelt? In het boek ter gelegenheid van het olympische tennistoernooi staat een foto van Murray als twaalfjarige, met in zijn handen de gewonnen Orange Bowl Cup. „Tennis was toen een stuk leuker”, had hij erbij geschreven.

Nog twee dagen Murray-mania zal de Schotse tennisser moeten ondergaan. Of liever gezegd: langs zich heen moeten laten gaan. Zijn coach Ivan Lendl feliciteerde hem vrijdag na de partij tegen Tsonga en vroeg daarna meteen: hoe laat morgen trainen? Murray’s missie is nog niet klaar. Tegen Roger Federer zal hij zondag in de finale het onvoorstelbare moeten doen om het ondenkbare te presteren.