Persoonlijk 1: Samenzwering

Hoe gekleurd is de informatie die ik in de krant zet? En wie wil dat eigenlijk weten? Over de persoon achter de feiten.

Spelen in de regen. Moesson in India, 2010. Foto: APSpelen in de regen. Moesson in India, 2010. Foto: AP

Ik heb hier allerlei rauws beloofd. Ander werk dan in de krant; een kijkje in de keuken; kunnen zien hoe het werkt. Eerst maar eens een overpeinzing uit India, uitmondend in een heel ander moesson-stukje dan jullie gisteren in de krant konden lezen.

“Hoe jij het ziet maakt niet uit. Jouw gevoelens doen er niet toe.” Dat is de stelregel in de nieuwsmedia.

Het is niet waar. De redactie weet dat, ik weet dat. De lezer weet dat ook. Met zijn allen vormen we een samenzwering. We doen alsof. Geen weldenkend mens durft nog hardop te eisen dat een krant louter ‘objectieve’ informatie biedt – we weten inmiddels dat dat niet kan – maar tegelijkertijd maken we kranten met informatie die is opgeschreven alsof ze onbeïnvloed, niet-gestuurd en brandschoon de kolommen heeft gehaald.

Geeft niks.
We weten het.
We breien het wel weer recht.

Of toch niet?

Laat ik Afghanistan als voorbeeld nemen van hoe persoonlijke inbreng het nieuws, en dus ons beeld over een gebied, beïnvloedt:

- Heeft ooit een westerse journalist kunnen uitleggen wat een Taliban-rekruut drijft?

Nee, want daarvoor moet je lang met ze optrekken, en dat is vrijwel onmogelijk. Als je al binnenkomt, zou je wel eens kunnen eindigen met je hoofd op het hakblok. Er zijn journalisten embedded geweest met de Taliban - in elk geval de tv-zenders Channel-4 en France-24 - maar steeds kort. Overigens is mij sinds 2004, toen ik Afghanistan begon te coveren, door media in NL nooit die vraag gesteld. Willen we het wel weten? De Taliban zijn De Vijand, ze vechten tegen alles wat ons waardevol is. Maar als westerse journalist schrijf je dat niet op. Je dient onpartijdig te zijn. Maar zijn we dat wel? Dit is immers ook een oorlog om democratie & vrijheid van meningsuiting: de levensader van de journalistiek.

- Waarom wordt pas de laatste tijd veel geschreven over dat het onherstelbaar misloopt met de oorlog, terwijl dat al veel langer duidelijk was? Al sinds 2006 is duidelijk dat de Navo geen antwoord heeft op de door Mao en Ho Chi Minh-geïnspireerde strategie van de Taliban. Maar het mainstream-nieuws werd tot voor kort beheerst door de mooi-weer-praatjes van westerse commandanten en H. Karzai. Ook kregen we veel spannende reportages voorgeschoteld over de eigen troepen.

Journalisten raken soms gevangen in elkaars maalstroom. Zelfs als ze met eigen ogen zien dat het niet goed gaat in Afghanistan, vinden ze het lastig dat klip en klaar te melden. Zeker niet als in alle andere media een positief beeld wordt geschetst. Angst het fout te hebben? Wishful thinking? - Pas sinds 2010, toen Amerikaanse journalisten die eerder Irak coverden zich op Afghanistan stortten, is het discours veranderd in dat van een verloren oorlog.

Nieuws selecteren, nieuws interpreteren, achtergronden uitdiepen – het is mensenwerk, en dus is het resultaat gekleurd door opvattingen, voorkeuren en (on)vermogens. Dat is onvermijdelijk. Een verslaggever kijkt nu eenmaal rechts en schrijft alleen op wat hij dáár ziet, omdat hij liever even niet links kijkt. Hij kan niet tegen bloed. Hij is bang. Of hij heeft wat last van zijn nek. Hij is gewoon lui en vindt dat hij het met één invalshoek wel af kan. Of hij krijgt zo weinig per artikel betaald dat hij het zich niet kan veroorloven om alle kanten op te kijken: dat kost tijd en drukt zijn broodnodige productie. En dan wordt hij ook nog eens volledig ingepakt door de flirtende woordvoerder op rechts, zodat hij helemaal vergeet dat links ooit bestaan heeft.

Er is weinig keuze. Laat je de objectiverende hij-vorm los, en mogen alle verslaggevers hun meningen en gevoelens de vrije loop laten, dan wordt het een puinhoop. Dan krijg je het ene semi-literaire ik-verhaal na het andere. Dan gaat die “lekkere” persoonlijke touch de validiteit van je journalistieke werk overschaduwen, tot op de voorpagina van de kwaliteitskrant aan toe.

En dus zweren wij samen. Redacteuren, verslaggevers en lezers.

Overigens: columnisten staan erbuiten. Die hebben niets te maken met nieuwsregels. Zij mogen ikken wat ze willen. Je hebt ze hard nodig in al dat semi-objectieve feitengeweld.

Gelukkig is er een rafelrand: één plek in de krant waar NRC Handelsblad soms bijna zijn mond voorbij praat. Op de buitenlandpagina’s staat ongeveer eens in de één, twee weken – er is geen vaste frequentie – een rubriek met een portretfotootje van een van de 23 correspondenten.

Het is niet zo dat de correspondent in die rubriek duidelijk maakt welke gevoelens, afkomst, angsten en onhebbelijkheden zijn blik bepalen en zijn woorden wassen. Vaak speelt de correspondent wel een klein rolletje in het verhaal, maar alléén als dat bijdraagt aan het begrip van het land of het behandelde onderwerp.

Ik vind die rubriek een verademing. Ik zie opeens een mens achter de feiten en analyses. Het is alsof de correspondent van het fotootje plotseling op samenzweerderige toon met me begint te fluisteren. Eindelijk word ik als lezer serieus genomen.

Vrijdag heb ik zelf die rubriek gemaakt. Over het uitblijven van de moesson in noordwest India. Ongenadige hitte, oplopende geprikkeldheid, rellen braken uit. Het is een bijgewerkte versie van een nog ongepubliceerde blogpost. Te lang en veel te persoonlijk voor de krant.

De krantenversie is geloof ik aardig in balans – tenminste, voor wie de samenzwering koestert. Wie meer wil weten over die gast op dat fotootje die zonder het woordje ik te gebruiken toch van begin tot eind dominant aanwezig is in al zijn stukken (zoals elke verslaggever), heeft wellicht iets aan de blogversie.

Ik publiceer hem in een nieuwe blogpost.
De echte nerds lezen ze allebei - hier de krantenversie, hier de blogversie.