Reputaties: een keertje raak, en een misser...

Een reputatie is een mooi ding – en kwetsbaar. Vandaag ben je Leonidas, morgen weer gewoon een sukkel. Journalisten weten er alles van, ze volgen die dagkoersen op de voet – en spelen er zelf een rol in.

Een kritische lezer vindt dat deze krant dat niet goed deed in de berichtgeving over de benoeming van advocaat-generaal bij de Hoge Raad Jos Silvis tot Nederlands rechter bij het mensenrechtenhof in Straatsburg (Kritiek op nieuwe Nederlandse rechter mensenrechtenhof, 28 juni).

In dat voorpaginabericht stond dat „veel Nederlandse juristen” die benoeming ongepast vinden. Silvis was namelijk „als rechter verantwoordelijk voor een van de grootste gerechtelijke dwalingen in de Nederlandse strafrechtpleging”. Te weten de Schiedamse Parkmoord, waarin in 2001 een naar later bleek onschuldige man tot 18 jaar cel werd veroordeeld. Silvis was destijds voorzitter van de strafkamer van de Rotterdamse rechtbank.

Moet hij daar elf jaar later mee worden achtervolgd? „Rechterlijke uitspraken of acties van het Openbaar Ministerie worden tegenwoordig in de media veel te veel direct gekoppeld aan de personen die op een zeker moment toevallig in een meervoudige kamer zitten of officier van justitie zijn”, schrijft de lezer. Kritiek op hen moet kunnen, natuurlijk, „maar kunnen we het een beetje los zien van de persoon”?

De trend die de lezer signaleert, herken ik wel. De ‘personalisering’ van ambtsdragers (Wie zijn die mensen? Wat is hun achtergrond?) is al langer waar te nemen in de media – nog afgezien van de onkreukbare ‘rijdende rechter’ – maar niet alleen daar. Het ‘vermenselijken’ van rechters lijkt mij zelfs eerder een politiek dan een journalistiek initiatief: zie de aanvallen op ‘linkse’ rechters vanuit de PVV.

Ja, wij burgers van een rechtsstaat mogen best weten wat de achtergrond is van een rechter of officier van justitie, waarom niet? Alleen, het moet relevant zijn voor een beoordeling van hun functioneren. Aan politiek gemotiveerde pogingen om de legitimiteit van ambtsdragers te ondermijnen, omdat ze er ‘foute’ meningen of hobby’s op nahouden, moet de journalistiek niet meewerken.

Maar bij Silvis was zoiets ook helemaal niet aan de orde. In het stuk van verslaggever Marcel Haenen, een primeur voor de krant, wordt niet de persoonlijke achtergrond, maar louter de professionele staat van dienst van de rechter erbij gehaald – en die is relevant bij zo’n prestigieuze benoeming. Het gaat hier om de verantwoordelijke functionaris, niet om de persoon.

De vraag is natuurlijk wel hoeveel juristen „veel” is. Haenen ging niet over één nacht ijs: hij sprak met advocaten die de benoeming volgden en met deskundigen uit de Parkmoordzaak die zijn rol konden toelichten. In een achtergrondstuk (Ruime ervaring, maar omstreden, 28 juni) citeerde Haenen – en niet anoniem, gelukkig – Peter van Koppen, een kenner van de zaak, en Gerard Spong, destijds advocaat van de ten onrechte veroordeelde Cees B. Maar Haenen sprak ook met verdedigers van Silvis. En uiteraard komt de magistraat zelf ook aan het woord over de kwestie. Er is hem dus geen loer gedraaid door een gisse achterneef van Kuifje.

Jammer is dan weer wel dat in het commentaar van de krant diezelfde dag (Justitie is soms wel erg blind, ook 28 juni) de mouwen iets te hoog werden opgestroopt. Daarin stond dat „kennelijk” niemand op het idee was gekomen de Parkmoord mee te laten wegen, wat „meer dan een beetje dom was”. Maar dat was wel gebeurd, liet de Hoge Raad weten, en de krant zette dat vier dagen later recht. Opmerkelijk blijft de benoeming.

In een andere reputatiezaak ging het mis. Freelancejournalist Colin van Heezik schreef in nrc.next een j’accuse aan het adres van Annemarie Jorritsma, burgemeester van Almere (Annemarie, u bent te groot voor Almere, 14 juni). Hij hekelde haar als de belichaming van een verkeerde privatisering, namelijk „het aanwenden van publieke middelen voor private doelen, zodanig dat je er zelf beter van wordt”. Die forse conclusie onderbouwde hij met voorbeelden, van het omstreden pompen van grondwater voor haar woning tot de splitsing van de Nederlandse Spoorwegen.

Eén probleem: enkele van die ‘feiten’ klopten niet, of lagen net anders. Jorritsma reageerde woedend, er kwamen advocaten aan te pas, en next plaatste op 3 juli een rectificatie. Ook vrij fors, want behalve het rechtzetten van enkele passages noteerde de redactie dat de conclusie van het stuk „niet wordt gedragen door de in het opiniestuk aangedragen feiten. De redactie van nrc.next distantieert zich dan ook van die conclusie”.

Dat gaat ver – er stonden ook beweringen in het stuk die de krant overeind houdt – maar ja, dat komt ervan. Natuurlijk kun je erover twisten hoeveel ruimte een opinieauteur of een columnist heeft, vergeleken met een verslaggever; sommige columnisten nemen, in het kader van humor, af en toe een loopje met de feiten. Maar dan gaat het duidelijk om scherts.

Dat was hier niet zo. Ook een satirisch getint opiniestuk moet feitelijk correct zijn, zeker als het zulke zware beschuldigingen bevat. En niet alleen de auteur van het stuk, maar ook de eindredactie van de krant moet daarop toezien.

Wie Caesar komt begraven, kan de feiten over Brutus maar beter goed op een rijtje hebben.