Puzzelen met joodse grafstenen

wetenschap in uitvoering Als Rome valt, zijn er overal in Italië goed geïntegreerde joodse gemeenschappen. Maar in de Middeleeuwen ontstaan spanningen. Leonard Rutgers zoekt naar sporen van die omslag.

‘Daar, bovenin! Zie je die steen met dat vierkante gat? Dat is nog over van een middeleeuwse bouwsteiger. Daarnaast zit een joodse inscriptie. Hij begint links bovenaan met een lamed, de twaalfde letter van het Hebreeuwse alfabet.” Historicus en archeoloog Leonard Rutgers wijst. En in het strijklicht van de namiddagzon zie ik ’m: de tekst loopt van boven naar beneden. De grafsteen is op zijn kant in de muur van de kerk gemetseld.

De bouw van deze romaans-gothische kerk begon in 1135, maar is nooit afgerond. Vandaar de naam: l’Incompiuta, de onvoltooide. De bouwers kwamen niet verder dan de buitenmuren en een zuilenrij tussen middenschip en zijbeuk. Ze maakten gebruik van bouwmateriaal uit de omgeving: blokken steen uit een Romeinse ruïne en… grafstenen van een joodse begraafplaats.

We zijn even buiten Venosa, een stadje in de heuvels van Basilicata, Zuid-Italië. ‘We’ zijn Rutgers, hoogleraar aan de Universiteit Utrecht, met als leeropdracht ‘de interactie tussen joden, christenen en heidenen in de Late Oudheid’, Irmengard Mayer, architect en bouwhistorisch consulent uit Wenen, en de verslaggever die hen een paar dagen volgt.

Venosa, bij classici bekend als de geboorteplaats van de dichter Horatius (65 voor C. – 8 na C.), ligt aan de Via Appia en was in de oudheid een handels- en verkeersknooppunt. Hier, aan de noordoostelijke rand van de stad, liggen tussen mediterraan groen de stenen resten van zeker drie tijdperken. De Onvoltooide is aangebouwd tegen de iets oudere Santissima Trinità, de kerk van de Allerheiligste Drieëenheid. Die is ingewijd in 1059, nadat Normandische ridders de streek hadden veroverd op Byzantijnen en Longobarden. Eén van deze avonturiers, Robert Guiscard d’Hauteville (1015-1085), ligt er begraven. Onder de vloer van de Trinità, die nog steeds in gebruik is, zijn mozaïeken zichtbaar gemaakt van een basiliek uit de zesde eeuw. En aan de overkant van de weg zijn de resten opgegraven van een Romeins amfitheater.

In dit historische labyrint zoekt Leonard Rutgers naar sporen van een joodse gemeenschap die hier tot ver in de Middeleeuwen moet hebben gewoond. In zijn oratie van 2005 noemde hij Rome een ‘multiculturele samenleving’, waar mensen met verschillende religies en etnische achtergronden letterlijk samenleefden. Maar bleef dit zo? Rutgers combineert geschreven bronnen en fysieke resten, geschiedschrijving en archeologie, om zich een beeld te vormen van samenlevingen in de late oudheid en vroege Middeleeuwen. Hij deed onderzoek in christelijke en joodse catacomben van de stad Rome en richt zijn aandacht nu op oude joodse gemeenschappen in Zuid-Italië. Wat gebeurde met hen na de val van Rome?

In 1853 werd in een helling van de Maddalena, een heuvel even buiten Venosa, een onderaards gangenstelsel gevonden met joodse graven. De oudste dateren uit de vierde en de jongste uit de zesde eeuw. Rutgers is er lang geleden in geweest, maar kan zich er niet veel van herinneren. De catacomben zijn intussen toegankelijk gemaakt voor het publiek – met spotjes, airconditioning en een uitgestippelde wandelroute – en er zijn geen grafschriften meer te zien, behalve een onvast gekrast ‘sjalom’ en een zevenarmige kandelaar.

‘Sjalom’ in de duisternis

De inscripties uit de catacomben zijn niettemin goed beschreven, zegt Rutgers: “De meeste waren in het Latijn en Grieks; ze lijken sterk op joodse grafschriften in Rome. De joodse gemeenschappen hier en daar waren in cultureel opzicht identiek en volledig geromaniseerd. Maar rond 500 zien we een omslag. Dan verschijnen er in de catacomben van Venosa grafschriften in het Hebreeuws. Eerst nog onbeholpen: Latijnse en Griekse woorden in Hebreeuwse letters. En in de nieuwere gangen licht dan ‘sjalom’ op uit de duisternis.”

Ook uit later eeuwen zijn er in Venosa sporen van joods leven. Rutgers neemt Mayer mee maar het plaatselijke archeologische museum. De collectie bevat namelijk een paar joodse inscripties die zijn gevonden bij de opgraving van het Romeinse amfitheater, even buiten de stad. Dat theater raakte in de vijfde eeuw buiten gebruik en sindsdien werd er waarschijnlijk begraven. Zoiets is ook gebeurd rond het Colosseum in Rome, toen het eenmaal leegstond.

Rutgers laat Mayer een Hebreeuwse inscriptie zien op een marmeren plaat. Een mooi stuk marmer, maar het is afgebroken. Toch is de inscriptie compleet: ‘Hij ruste in het leven met alle rechtvaardigen’. De steenhouwer hield rekening met de breuklijn. Rutgers: “Toen dit grafschrift werd gemaakt was de plaat dus al kapot. Iemand heeft hem van een Romeins gebouw afgesloopt en er een grafsteen van gemaakt.”

Dat slopen gebeurde vaker in de vroege Middeleeuwen, maar wat zegt deze steen nu over de joodse gemeenschap van die dagen? “Het is goed Hebreeuws, de letters kloppen allemaal, maar fraai is het niet, alsof de personen in kwestie zich geen deftige grafsteen konden veroorloven.”

Deze inscriptie is niet gedateerd, maar een andere, verderop in het museum, wel. Opnieuw een afgebroken marmeren plaat, die is beschreven binnen de breuklijn. Op de achterkant staat nog een laat-Romeins reliëf. “Kijk, hier is de dateringsformule: het aantal jaren na de verwoesting van de tempel in Jeruzalem door Titus (70 na C.). Die jaartelling wordt vanaf de vijfde eeuw gebruikt in Palestina. Hier staat de naam van de dode, Samuel ben Abia, en hier de sterfdatum, 738 jaar na ‘de verwoesting van het heilige huis’: 808 na C.”

We zijn intussen in de negende eeuw, joden in Venosa hebben niet langer Grieks-Romeinse namen en oriënteren zich op een overdrachtelijk Israël: Jeruzalem, de tempel, het Hebreeuws. Dit is niet langer een Romeinse, maar een Middeleeuwse wereld, waar de grenzen anders worden getrokken.

Deze negende-eeuwse grafschriften vertellen iets over de joodse gemeenschap van Venosa in die turbulente tijden, toen de heerschappij over Zuid-Italië werd bevochten door Karolingische vorsten, Longobardische hertogen, Byzantijnse generaals en Arabische invallers. Maar ze zeggen weinig over de relatie tussen joden en hun niet-joodse buren. Dat die er daarna niet beter op geworden is, blijkt wel uit het feit dat na 1000 joodse grafstenen als bouwmateriaal zijn gebruikt. In een boek uit 1936 over joodse inscripties in Venosa vond Rutgers foto’s van grafstenen die lukraak waren ingemetseld in een onafgebouwde kerk uit de twaalfde eeuw. Jawel: l’Incompiuta.

Leonard Rutgers en Irmengard Mayer zijn hier al drie dagen aan het werk. Ze hebben in de muren van de Onvoltooide intussen elf Hebreeuwse inscripties gevonden, waarvan Mayer 3D-opnamen heeft gemaakt. Een aantal uit het boek van 1936 is nog zoek. Op een zonovergoten ochtend zijn we terug op de locatie, gewapend met ladders die zijn geleend van broeders uit het naburige klooster. We lopen langzaam langs de binnenzijde van de kerkmuur en dan, door het hoge gras, langs de buitenkant, op zoek naar inscripties. Rutgers: “Wat we nu zien is de kale muur. Daar moest nog een laag overheen die werd beschilderd of afgesmeerd. Romeinse en joodse inscripties konden gewoon worden gebruikt; ze werden toch bedekt.”

De meeste Hebreeuwse inscripties zitten bovenin de muur. Die zijn kennelijk laat aangebracht. Rutgers: “Middeleeuwers waren uitermate praktisch. Ze namen eerst bouwmateriaal dat in de buurt voorhanden was en vervolgens haalden ze materiaal van iets verder weg. De sequentie die wij nu bedacht hebben, is deze. Het amfitheater, daar aan de overkant van de weg, raakt in de vijfde eeuw buiten gebruik en de stad Venosa krimpt. Omdat deze locatie relatief dicht bij de bewoonde wereld is, gaat de joodse gemeenschap hier zijn doden begraven. Daar moeten die inscripties in het museum vandaan komen.”

Amfitheater

In een tweede fase worden stenen uit het amfitheater gebruikt om er joodse grafinscripties in te hakken voor een begraafplaats ergens in de buurt. Waar weet Rutgers nog niet. “In de derde fase – we zijn dan al in de twaalfde eeuw – is deze kerk gebouwd, grotendeels met stenen uit het amfitheater. De bouwers hebben eerst de grote blokken gebruikt om een fundering en de onderbouw van de muren te maken. Toen die op waren, zijn ze de joodse begraafplaats gaan slopen. Daarom zitten de Hebreeuwse inscripties relatief hoog.”

Twee dagen later zitten we op het terras van Hotel Orazio (Horatius), met een laptop, foto’s en de uitgeschreven teksten van de gevonden inscripties op tafel. Rutgers: “We hebben er in totaal 25 gevonden. Dat lijkt niet veel, maar het is voor de vroege Middeleeuwen een heel mooi bestand. Nu begint het grote puzzelen; dat doen we straks in Utrecht. Dan stoppen we alle details – afmetingen van de stenen, de teksten van de inscripties, eventuele dateringen, de plaats waar en de positie waarin ze gevonden zijn – in een model en kijken we of daar een historisch verhaal uit valt te destilleren over de lotgevallen van de joodse gemeenschap hier.”

Voorlopig vallen twee conclusies te trekken. De eerste is dat deze gemeenschap zich vanaf de zesde eeuw niet langer oriënteert op Rome, maar op Jeruzalem. Venosa is interessant omdat er niet alleen aanwijzingen zijn voor die culturele omslag in de catacomben, maar ook in boodschappen uit de vroege Middeleeuwen, een periode die vroeger wel werd aangeduid als ‘Dark Ages’. In het naburige stadje Lavello hebben Rutgers en Mayer, in een opslagplaats van het gemeentehuis, de oudste Hebreeuwse inscriptie met een citaat uit de Talmoed gevonden die ooit is aangetroffen in Europa. Dat Rome geen oriëntatiepunt meer is, kan te maken hebben met de opkomst van het christendom.

Tweede conclusie: gebruik van grafstenen als bouwmateriaal is ongehoord. Joodse graven worden in principe niet geruimd en het onderhoud van begraafplaatsen is een van de belangrijkste taken van een joodse gemeente. Schending van graven is trouwens in alle culturen een krachtig taboe: met de dood valt niet te spotten. Wat we zien in l‘Incompiuta zijn de sporen van een drama.

Rutgers: “Middeleeuwers zeiden: wij gaan een kerk bouwen. En alles wat hier ligt, van heidenen of van joden, gaat in de kerk. Want wij kennen de ultieme waarheid. Dit betekent dat de joodse gemeenschap er intussen niet meer was, of geen recht van spreken meer had. De jongste inscripties die we in Venosa hebben gevonden dateren uit de negende eeuw, daarna is er niks meer. Er moet hier tussen 900 en 1135 iets zijn gebeurd dat het ongehoorde mogelijk maakte. Een scheur in de geschiedenis.”

Wat precies is nog onduidelijk. Was het de Eerste Kruistocht (1096-1099)? Kruisvaarders gingen scheep in de naburige havensteden Bari en Brindisi en zij waren joden niet goed gezind. Of gebeurde het eerder?

Dat raadsel gaat Leonard Rutgers nu te lijf – met schaarse geschreven bronnen en met stenen getuigen.