Juf komt dit jaar van de universiteit

Een academische opleiding voor onderwijzers moest het antwoord zijn op het slechte niveau van de pabo-opleidingen. De eerste lichting, in 2008 begonnen, is afgestudeerd. Doen zij het beter voor de klas? „Ze zijn sterk in kennis. Orde en overzicht houden is lastiger.”

Orde houden is hard werken. Even over half negen neemt Juanita de Jong een laatste slok kruidenthee en sluit de deur van haar lokaal. Ze houdt een vinger voor haar lippen en steekt haar andere hand met gespreide vingers omhoog. Bijna dertig roerige zes- en zevenjarigen richten langzaam hun aandacht op haar. Tot ze zegt dat ze hun leesboekjes moeten pakken. Met veel kabaal schuiven alle stoelen naar achteren. Een jongen knielt om in zijn kastje te zoeken. Driftig rukt hij het tafeltje heen en weer. „Doe maar even mee”, zegt Juanita de Jong. Ze legt weer een vinger op de lippen en steekt dan beide armen omhoog. De kinderen volgen haar voorbeeld, tot het weer stil is.

Juanita de Jong hoort tot de eerste lichting universitair opgeleide basisschooldocenten in Nederland. Vrijdag rondde ze in Utrecht de Academische Lerarenopleiding Primair Onderwijs af en kreeg twee bachelordiploma’s: van de pabo, de lerarenopleiding van de hogeschool Utrecht, en van de universitaire studie onderwijskunde. De nieuwe ‘superjuffen’ zijn een beetje de hoop van de natie, of in elk geval van het kabinet. „Wie opgeleid is door goede leraren krijgt meer kansen op de arbeidsmarkt en kan de economische positie van Nederland verbeteren”, staat op de officiële homepage van staatssecretaris Halbe Zijlstra (Onderwijs, VVD). Het was dan ook Zijlstra die in de Utrechtse Janskerk de eerste diploma’s uitreikte.

Hogeschool en universiteit, doorgaans gescheiden circuits die elkaar beconcurreren, sloegen voor de nieuwe opleiding de handen ineen. De Utrechtse hogeschool zocht een antwoord op de jarenlange kritiek op de pabo, zegt Dick de Wolff, directeur van de faculteit educatie. Docenten die van de pabo kwamen bleken te vaak slecht te spellen en te rekenen. Ondanks de invoering van een verplichte taal- en rekentoets en andere hervormingen bleef de roep om slimmere leraren.

Op de universiteit droomde Theo Wubbels, hoogleraar onderwijskunde en vicedecaan van de faculteit soci ale wetenschappen, al twintig jaar van „meer intellectuelen” in het basisonderwijs. Vroeger was de pedagogische academie een middel voor begaafde jongeren uit de arbeidersklasse om hogerop te komen. De laatste decennia trok de pabo vooral havisten. Vwo’ers kozen universitaire studies als pedagogiek en onderwijskunde en eindigden zelden waar ze het hardst nodig waren: voor de klas. Wubbels wilde vwo-scholieren terugwinnen voor het vak.

Schoolbesturen waren enthousiast toen universiteit en hogeschool de nieuwe opleiding presenteerden. Paul Maasen, ‘praktijkcoördinator’ op de hogeschool, kreeg telefoontjes uit het hele land. „Almelo wilde negen studenten, met baangarantie.” Meer scepsis was er in de klaslokalen, merkte hij als hij scholen bezocht. Sommige docenten vroegen zich af of de studenten niet te theoretisch ingesteld zouden zijn. Of ze het vak wel in de vingers zouden krijgen. De weerstand leek soms ook op die tegen de zij-instromers, mensen uit het bedrijfsleven die na een korte opleiding voor de klas gaan staan. ‘Doen wij het niet goed dan?’, vroegen veel docenten zich af.

In 2008 begonnen 52 studenten aan de academische lerarenopleiding in Utrecht. Ze waren geselecteerd uit 150 kandidaten, op cijferlijst, motivatie, ervaring met kinderen. Vooral het eerste jaar was de uitval hoog. Studenten knapten af op het lesgeven, of juist op de wetenschappelijke vakken. 31 studenten begonnen afgelopen september aan hun afstudeerjaar.

Intussen breidde de academische pabo zich uit. In onder meer Groningen, Nijmegen, Leiden en Amsterdam zijn vergelijkbare opleidingen opgezet, waar studenten naast de pabo onderwijskunde, pedagogiek of pedagogische wetenschappen studeren. Verder is er een variant waarbij studenten alleen een hogeschooldiploma halen. Landelijk beginnen jaarlijks ongeveer 500 studenten hun academische opleiding tot onderwijzer. Welke problemen komen zij tegen? Wat onderscheidt hen van studenten die de reguliere pabo doorlopen? En: zullen ze inderdaad het onderwijs verbeteren?

Veel studenten van de eerste lichting kennen de ‘gewone’ pabo nog van binnenuit. Daar krijgen de creatieve vakken meer aandacht, zegt Andrea Steenhuis, die na een jaar is geswitcht. „Textiel, tekenen, drama en muziek zijn aparte vakken. Op de academische pabo was dat één cursus.”

Voor de taaltoets werd twee uur lang uitgelegd wat een persoonsvorm is, herinnert Jan Willem Hengeveld zich. „Eén meisje wist niet dat er twaalf in een dozijn gaan.” Na zijn overstap kon hij zijn tanden zetten in vakken als ontwikkelingspsychologie, ‘toetsen en beoordelen’ en ‘kind en context’, over de invloed van afkomst en inkomen van ouders.

De verwachting dat de academische pabo’s meer jongens zouden trekken, is niet uitgekomen. Landelijk ligt het percentage zelfs wat lager dan op de reguliere pabo’s. Jan Willem Hengeveld is de enige man van de eerste lichting. Hoewel beginner, klinkt hij als een door de wol geverfde docent. „Het is soms frustrerend hoe weinig scholen vooruit willen”, zegt hij bijvoorbeeld. „Bij het kiezen van een nieuwe leesmethode gaan ze af op hoe het eruit ziet. Het is een beslissing van de directie op basis van non-argumenten. Ik vind het jammer dat daar niet beter over nagedacht wordt.”

Dit, zeggen mensen die de nieuwe opleiding hebben opgebouwd, is een van de redenen dat deze studenten verschil zullen maken. De kritische houding is hun ingeprent vanaf het begin. Grondlegger Theo Wubbels: „We zeggen niet: rekenen geven we zo en zo. We zeggen: er zijn verschillende stromingen in het rekenonderwijs. Daar moeten we een keuze uit maken.”

Studieloopbaanbegeleider Paul Maasen: „Deze studenten kunnen gefundeerde keuzes maken en dat goed verantwoorden. Dat is wat anders dan een leuke techniekles maken. Of een ‘leskist seksuele voorlichting’.” Academisch gevormde onderwijzers worden er nadrukkelijk op toegerust niet alleen les te geven, maar ook het onderwijs tegen het licht te houden en te verbeteren.

Met die missie begon de eerste lichting aan de stage, een dag per week vanaf het eerste jaar. Scholen en studenten wisten nog in het geheel niet wat ze van elkaar konden verwachten. Een heftige cultuurschok was het gevolg. Juanita de Jong: „Je bent een totale beginner en tegelijk moet je vertellen hoe het beter kan.” „Het botste als een malle”, zegt medestudent Valerie Borgdorff. Academische stagiairs doen veel meer onderzoek dan pabo-studenten. Leerkrachten keken vreemd op van de soms zeer technische onderzoeksverslagen die zij als stagebegeleider moesten ondertekenen. „We pasten ons aan”, zegt Borgdorff droogjes. „Op het laatst maakten we twee versies: een voor de universiteit en een in gewone leestaal.”

Het vinden van goede stagebegeleiders was voor de nieuwe opleiding een moeilijke opgave. „Onze studenten kunnen al gauw méér”, zegt Theo Wubbels. „De begeleiders worden soms behoorlijk overvleugeld.” Een aantal academische pabo’s, waaronder Utrecht, biedt inmiddels bijscholing aan.

Eida Osinga, lerares van groep 8 op de Joost van den Vondelschool in Amersfoort, begeleidde alleen het onderwijs van haar stagiaire Valerie Borgdorff, niet het onderzoek. De ‘nieuwe’ studenten „stellen veel vragen, gaan op onderzoek uit”, merkte ze. „Ze leren enorm snel, met feedback wordt direct iets gedaan.” Valerie Borgdorff ontwikkelde op eigen initiatief een ‘planner’ voor vier hoogbegaafde jongens uit de klas. Osinga wil die volgend jaar blijven gebruiken.

In het laatste jaar botsten theorie en praktijk pas echt, vertellen studenten. In duo’s zetten ze een afstudeeronderzoek op, waarin ze een vraag van hun stageschool op wetenschappelijke wijze beantwoordden. Andrea Steenhuis onderzocht ‘het domein ‘meten, tijd en geld’ in de methode ‘rekenen’. Valerie Borgdorff en Juanita de Jong ‘het implementatietraject voor handelingsgericht werken’. Daarnaast stonden ze 32 dagen voor de klas, waarvan 20 met ‘groepsverantwoordelijkheid’. Dat wil zeggen dat ze alles deden wat bij het leraarschap komt kijken: zorgleerlingen begeleiden, oudergesprekken voeren, toetsen afnemen, de resultaten verwerken.

„Je gaat hele dagen draaien”, zegt Juanita de Jong. „Met het gevoel dat je het niet goed genoeg doet. Dat je niet genoeg rekening houdt met álle leerlingen in de klas.” „En je hebt het startendeleraarprobleem”, zegt Valerie Borgdorff. „Je moet zo’n klas onder controle krijgen.” Jan Willem Hengeveld kreeg ook nog te maken met een probleemgroep. „Er kwamen kinderen bij van andere scholen die een negatieve invloed hadden.”

Heel wat huilende studenten kregen de studieloopbaanbegeleiders begin dit jaar aan hun bureaus. „Deze studenten zijn sterk in kennis van didactiek en theorie, reflectie, persoonlijke ontwikkeling”, zegt Paul Maasen. „Lastiger is voor hen het overzicht houden in de klas, orde houden, rekening houden met niveauverschillen. Dingen waarvan stagebegeleiders zeggen: dat vinden wij nou het handwerk.”

Daarnaast kunnen ze nogal perfectionistisch zijn, zegt hij. Wat volgens Valerie Borgdorff nog versterkt wordt door de combinatie van onderwijskunde en lesgeven. „Door onderwijskunde, de ‘leer van het leren’, zie je hoeveel er bij lesgeven komt kijken. Je kunt jezelf gek maken met het bedenken van dingen die je beter zou kunnen doen.”

In groep 3 legt Juanita de Jong een rekenopdracht uit. De eerste som is 17 min 6. „Dat lijkt een moeilijke som maar dat is het eigenlijk niet”, zegt De Jong. „Waarom niet, Nour?” Nour, een parmantig meisje met een opvallende ketting: „Als je 7 hebt en er gaat 6 af heb je 1.” De Jong: „Dus welke hulpsom hoort erbij?” Nour: „Zeven min zes.” Even later mogen de kinderen hun tas met hapje pakken in de gang, maar eerst moeten ze per groepje nog een som oplossen. De juf is heel erg verrast als ‘twee keer twaalf’ geen probleem blijkt. „Geleerd!” roept Alex triomfantelijk, terwijl hij wegschiet naar de gang. „Van mijn opa!”

Wie een klas binnenkomt, zal straks niet direct verschil zien tussen academisch en niet-academisch geschoolde onderwijzers, verwachten betrokkenen. De academici zullen hun invloed vooral achter de schermen moeten laten gelden. Lerares Eida Osinga: „In de klas moet je een goede basiskennis hebben. Die hoeft niet per se op universitair niveau te zijn.” Marieke Jaspers, studieloopbaanbegeleider van de Universiteit Utrecht: „Ze weten veel over de ontwikkeling van kinderen. En hoe je het onderwijs daaraan kunt aanpassen.” Faculteitsdirecteur Dick de Wolff van de hogeschool denkt dat ze de vele gegevens die scholen verzamelen over klassen en kinderen, beter zullen benutten. „Daar wordt nu nog maar mondjesmaat iets mee gedaan.”

De Wolff weet dat veel politici een ander ideaal voor ogen hebben van de academisch gevormde leraar. Een die geschiedenis, geografie, wiskunde of biologie heeft gestudeerd en daarnaast didactisch geschoold is. Het type leraar waarmee Finland als enig Europese land zijn positie in de top van de beste onderwijslanden ter wereld behield. D66 Rotterdam riep vorige week nog op meer doctorandussen voor de klas te zetten.

De Wolff vindt de academische pabo een betere weg. „Het is niet zo dat onderwijs automatisch verbetert als docenten meer kennis hebben. Mijn broer was op school briljant in wiskunde, maar ik had er niets aan, want hij kon het niet uitleggen.” Hij wil dat studenten van de reguliere pabo zich meer gaan specialiseren, zoals een commissie heeft geadviseerd. Zodat de pabo onderwijzers aflevert die sterk zijn in geschiedenis, of Nederlands, of kennis der natuur. En die op dat gebied een voortrekkersrol kunnen krijgen in het docententeam. Waarin ook de academisch opgeleide leerkracht wat De Wolff betreft een duidelijke taak krijgt: beter onderwijs maken door de resultaten van wetenschappelijk onderzoek te vertalen naar de praktijk.

De eerste lichting academisch gevormde leerkrachten, vrijdag afgezwaaid, zwermt nog niet helemaal uit. Een deel blijft hangen op de universiteit om volgend jaar zijn master te halen. Theo Wubbels betreurt dat. Zijn ideaal is dat de nieuwe onderwijzers eerst een jaar of vijf voor de klas gaan staan. „Als ze goed met kinderen omgaan, niet bang meer zijn voor gesprekken met ouders, kunnen ze terugkomen voor de vakdidactische kunstjes.” Maar de studenten maken een andere keus. „Als ik al zo ver ben met een universitaire opleiding, en de arbeidsmarkt is zo slecht, kan ik beter nog even mijn graad halen”, zegt Valerie Borgdorff.

Ze heeft de afgelopen jaren getwijfeld of ze wel voor de klas wilde staan. Ze kan ook gaan werken bij een toetsinstituut als het Cito, of een schoolbegeleidingsdienst. De laatste tijd kreeg ze er toch weer zin in. „Met begeleiding kon ik in de klas weinig van mezelf kwijt. Nu val ik af en toe in en heb dan echt het roer in handen. Dan voel je toch wel weer de magie van het lesgeven.”