In enkele minuten van reggae naar rumba

Er treden dit jaar veel vertrouwde namen aan op North Sea Jazz. Verrassingen ontbreken, al mag de Cubaan Dafnis Prieto een ontdekking genoemd worden.

Het North Sea Jazz festival begint traditiegetrouw al buiten. De route naar Ahoy’ is aangegeven met stippen met daarin de portretten van optredende artiesten en al naast metrostation Zuidplein staat een podiumpje waar een vocaliste op volle kracht in de microfoon galmt. Ook op het terrein van het festival, met vrijdagavond zo’n 21.000 bezoekers, staan buiten in het zonnetje de muzikanten soms onverwacht opgesteld tussen de borreltafeltjes.

Binnen zijn er op het pad van de jazz meteen lastige keuzes. McCoy Tyner (1938) speelt tegelijk met de minstens zo op leeftijd zijnde saxofonist Lee Konitz. En er is ook het aantrekkelijke, avondvullende urbanjazzthema waar bijvoorbeeld Gregory Porter zingt. Porter heeft, na een misprogrammering op een minipodium vorig jaar, nu wel een grote zaal die past bij zijn snel gestegen ster. Hij maakt met zijn soepel spelende kwartet geen keuzes in stijlen en verbindt middels vocale kracht en lenigheid. De lijm is daarbij zijn stem van klasse. Warm en zalvend.

Een ontdekking is zijn voorganger in het prettige urbanjazzthema van de vrijdagavond: de in New York wonende Cubaan Dafnis Prieto die wordt beschouwd als veelbelovende jazzdrummer. Samen met zijn Proverb Trio – toetsenist Jason Linder en rapper Kokayi – gaat het in een paar wervelende minuten van reggae via dancehall richting rumba.

Hoogtepunt van de jazzprogrammering is Ravi Coltrane met het trio van McCoy Tyner. Toen Ravi Coltrane een pad vol doornen en distels koos door net als zijn fabelachtige vader John Coltrane ook jazz te spelen, waren de verwachtingen torenhoog. Welk kind met een beroemde ouder kan zoiets waar maken? De vergelijkingen legden Ravi in het begin van zijn carrière vooral lam. Daarbij maakt hij het zich ook niet makkelijk door op te treden met musici die alles met vaderlief te maken hebben: drummer Elvin Jones en dus McCoy Tyner, de vrije piano-improvisator in de legendarische Coltrane-band. De saxofonist heeft de laatste jaren eindelijk een echt eigen geluid gevonden, waarvan een recent cd-contract bij Blue Note bewijs is. Als gast in het trio van McCoy Tyner draagt hij bij tot weldadig stromende jazz. Heerlijk hoe McCoy Tyner zo vaak het initiatief neemt, met een lach op zijn gezicht, duidelijk genietend.

Ravi is niet het type dat je direct van je sokken blaast. Juist door zijn wat ingetogen benadering op de tenor die geleidelijk aanzwelt, trekt hij iedereen over de streep. Die toch weer leidt tot een ode aan Coltrane. Dat het aantrekkelijk is en blijft, komt door de creatieve en eigenwijze bijdrages van zijn inventief drummende Montez Coleman en bassist Gerald Cannon. Dat is voor artist in residence Joshua Redman lastiger. Als gast van het Metropole Orkest zit hij wat gevangen in het repertoire van het orkest. Het is voorbeeldig genietbaar zwierige muziek maar het wordt uitkijken naar de momenten dat deze huisgast los mag.

Een veelbelovende debutant is de Britse soulzanger Michael Kiwanuka, die zijn eerste optreden op North Sea Jazz direct in de immense Maas-zaal mag doen. Zijn intense, intieme soul waait soms weg in de grote, nog niet voor de helft gevulde zaal en ook Kiwanuka zelf lijkt er soms wat moeite te hebben echt in de huid van zijn nummer te kruipen. Maar wanneer hij dat doet, is het effect soms huiveringwekkend mooi. Kiwanuka begint zijn liedjes regelmatig als een singer-songwriter, waarin hij zichzelf alleen begeleidt met zijn akoestische gitaar voordat de rest van de band invalt. In nummers als Home Again, Tell Me A Tale en de sterke, traag aanzwellende Jimi Hendrix-cover May This Be Love (Waterfall) imponeert hij met die stem waarin het lijden doorklinkt. Die stem is live wel wat schor, en hapert soms bij pieken en dalen. Maar zijn band is mooi dienstbaar, met een percussionist die opvallend subtiel precies de juiste tikjes uitdeelt, en een gitarist die zijn kleurrijke klanken mooi door het golvende geluid heen weeft.

In de Congo-zaal opent de powerformatie Sven Hammond Soul van de Haagse organist Sven Figee; een opzwepende band die vreemd genoeg aan moest treden voor een publiek dat op stoeltjes zit. Bij dit concert hapert net als bij het optreden van Van Morrison het geluid, maar de band zet desalniettemin in nummers als Push Push, Crumbs Of The Table en Svoogaloo overtuigend zompige funk neer met het zwoegende, stampende en gierende Hammond-orgel van Figee als aanjager. Hoewel de band ‘soul’ in de naam heeft, is het onmiskenbaar een funkband die zeker wanneer alle aanwezige blazers en vocalisten op het podium staan, een wat dichtgesmeerd geluid heeft. De band is vooral sterk wanneer de focus ligt op individuen. Uitsmijter is een cover van Smack My Bitch Up van The Prodigy, waarin helaas de angel van het origineel verdwijnt in een te sympathieke funkuitvoering.

Voorafgaand aan North Sea Jazz viel aan de programmering al op dat de organisatie deze editie veel inzet op vertrouwde namen. Zo treden later dit weekend nog acts aan als D’Angelo en Janelle Monáe die eerder al indruk maakten op het festival; de laatste vorig jaar nog. Wat vooralsnog inderdaad ontbreekt, is de spanning, het verrassingselement. Illustratief is het optreden van de Nederlandse Caro Emerald die al twee jaar rondtrekt met de swingnummers-in-zwart-wit van haar debuutalbum.

North Sea Jazz. T/m 8 juli in Ahoy’.