Ik ben zo blij dat mijn Robbie nog heel is

Het is zover: de sporter heeft zich weten te plaatsen. Het thuisfront volgt de prestaties vaak op afstand. Hoe is dat? Deze week de moeder van wielrenner Rob Ruijgh.

Moeder Brigitte Ruijgh met shirt van zoon Rob. Foto Chris Keulen

Robbie noemt ze hem. Of Robke. En ook: een hele lieve jongen. Vorig jaar deed haar zoon voor het eerst mee aan de Tour de France. Vierentwintig jaar oud. Zat-ie opeens vlak achter Alberto Contador en Cadel Evans. Een helikopter cirkelde boven het peloton en filmde de ploeg. Brigitte Ruijgh zat voor de televisie: „Kijk!” riep ze. „Daar gaat-ie!”

Rob Ruijgh is klein. Maar hij zit altijd wat hoger op zijn fiets. Ze pikt haar zoon er direct uit.

„Fietste hij opeens met de grote mannen mee. Daar stonden ze zelf geloof ik ook wel van te kijken.”

Rob Ruijgh eindigde vorig jaar op de 21ste plaats in het eindklassement, als beste Nederlander. Vrijdag reed hij de zesde Touretappe. Na een valpartij vlak voor de finish staat hij nu op plaats 113 in het eindklassement.

Hier in haar woonkamer in Valkenburg kijkt Brigitte Ruijgh naar de wedstrijden van haar zoon. Allemaal. En als het mooi weer is, gaat de tv mee naar buiten. Ze zit het liefst alleen. „Ik ga er zo in op, hè. Dan zegt mijn vader: hij hoort je niet hoor. Maar ik zit de hele tijd te roepen. Hup jong, gáán!”

Rob Ruijgh begon ooit met voetbal. Maar hij was linksbenig en niet zo denderend met de bal, vertelt ze. „Hij wilde liever een individuele sport doen. Hij zei: als ik iets win, dan wil ik dat de prijs voor mij is. Als mensen klappen, dan moeten ze voor mij klappen.”

Rob Ruijgh ging wielrennen. Hij trainde twee keer per week op een baan in Geleen. En in het weekend organiseerde hij wedstrijden in de buurt. Zijn zus kreeg een jurk van vuilniszakken – zij was de rondemiss. Starten deden ze bij oma voor de deur. De finish was bij zijn eigen huis. Brigitte Ruijgh: „Robbie hield er van dingen te organiseren. En dan vooral wedstrijden.”

Later kwamen de echte wedstrijden. Het gezin ging heel Nederland door. „’s Morgens werd de koelbox in gepakt. Daar gingen broodjes in, fris. De klapstoelen gingen mee. En dan zaten we de hele dag wielrennen te kijken.”

In 1999 wordt de vader van Rob plotseling ziek. Brigitte: „Hij had zo’n last van zijn rug. En hij werd zo mager. Het speelt allang door je hoofd, maar je wilt het niet weten.” Op een woensdagmiddag wordt er bloed geprikt. Nog dezelfde dag belandt hij in het ziekenhuis. Een kleine week later – precies op het moment dat Brigitte van de dokter de uitslag van een beenmergpunctie krijgt – overlijdt haar man. „Ik was nét bij hem weggelopen.”

Rob heeft daar last van gehad, zegt ze. Helemaal toen zes jaar geleden ook zijn oma – haar moeder – overleed. „Robbie was haar oogappel. Zij waren twee handen op een buik.” Ze praten er nu nog veel over. „Maar we hebben het ook een plaatsje gegeven. We krijgen ze toch niet meer terug.”

Dit weekend zit Brigitte weer voor de tv. De boodschappen zijn al in huis. Ze hoeft geen minuut van de Tour te missen. Ja, behalve de afdalingen. Dan loopt ze weg. „Ik kan het niet aanzien. Die ravijnen. Ze gaan zo hard.”

Vrijdag zag ze Rob Ruijgh vallen. Op zo’n twintig kilometer voor de finish ging bijna de hele Vacansoleil-ploeg van haar zoon onderuit. „Ik had het niet meer”, zegt ze. „Ik zag Wout Poels en Johnny Hoogerland, en ik dacht alleen maar: ohnee, als Robbie daar maar niet ligt.”

Hij stapte na de val op de fiets. En zijn moeder zag hem finishen. Brigitte: „Ik ben zo blij dat hij nog heel is. Het zijn een paar schaafwonden. Maar hij kwam zelf over de streep.”

Haar zoon bellen doet Brigitte niet. „Ik ga hem niet lastigvallen. Dan wordt hij alleen maar zenuwachtig.” Wel stuurt ze hem voor elke koers een berichtje. Veel succes, schrijft ze. En voorzichtig aan. „Ik ben zo bang dat-ie valt, begrijp je?”