Hoe een jonge staat zichzelf leeg eet

Een jaar geleden werd Zuid-Soedan onafhankelijk. Na decennia strijd was er hoop en euforie. Koert Lindijer reist terug en treft: oorlogsstemming en fatalisme. Het land kan niet loskomen van corruptie en geweld.

Benzinestation zonder benzine in Juba. Zuid-Soedan draaide de oliekranen dicht vanwege een oliedispuut met Soedan. Foto Reuters

Commandant Gabriel Chol zit op een plastic tuinstoel. Verveeld rolt hij een kogelhuls van zijn linker- naar zijn rechtvoet. En terug. Gevraagd naar het moreel van zijn manschappen gaat hij rechtop zitten en trekt hij zijn lichtblauwe wollen sokken op. „We zijn voorbereid op een nieuwe oorlog.” De commandant zakt weer onderuit op zijn tuinstoel. Een ondergeschikte trekt een teek uit zijn nek. „De Soedanese soldaten dachten dat we nog guerrillastrijders waren”, lacht hij. „We hebben ze een lesje geleerd.”

In het gehucht Malaih, aan de frontlinie tussen het Soedanese en het Zuid-Soedanese leger, braken enkele maanden terug hevige gevechten uit, waarmee de prille vrede tussen Soedan en Zuid-Soedan werd verbroken. Het lijkt er nu sereen rustig, maar dat is schijn. Een soldaat op teenslippers tokkelt op een viersnarige harp. Hij legt zijn instrument terzijde. Woest wijst hij met een lange stok noordwaarts. „Kijk, daar ligt Heglig, we zullen het ons toe eigenen.” Tot verbijstering van Soedan viel het Zuid-Soedanese leger dit betwiste oliegebied in april binnen. „Alleen omdat er internationaal druk werd uitgeoefend, trokken we ons terug. Zuid-Soedan vecht nu niet meer voor zijn vrijheid maar voor zijn soevereiniteit.”

Langs de weg van de regionale hoofdplaats Bentiu naar de frontlinie staat veel buitgemaakt materieel uit Heglig. Afgedankt als rommel, hoewel de vrachtwagens voor de olie-industrie honderdduizenden dollars waard zijn. Verwoesting is nog steeds gewoon in Zuid-Soedan. De oorlog begon in 1983 en kwam met een vredesverdrag in 2005 ten einde. Dat leidde tot een referendum waarbij de Zuid-Soedanezen voor onafhankelijkheid stemden. Sinds 9 juli vorig jaar is Zuid-Soedan zelfstandig. Maar de jonge staat verkeert nog in een oorlogsroes. „Er is gebrek aan alles”, zucht catechist John Deng als hij in Bentiu op zoek gaat naar zeep en meel. Soedan sloot de grenzen en de handel ligt stil. „Het lijkt alsof de oorlog nooit is gestopt.”

Bentiu is een gehucht in het hart van de olieregio van Zuid-Soedan. Het is grote delen van het jaar afgesloten van de buitenwereld, bij gebrek aan wegen die de regen aankunnen, en het is onveilig door acties van van antiregeringsmilities. Het ziet er hetzelfde uit als dertig jaar geleden: een smerig gat zonder elektriciteit, zonder water uit de kraan, een dorp met geiten en varkens op hopen afval. De meeste huizen zijn van leem en stro.

Aan de horizon staan gigantische oliecontainers en hoge elektriciteitsmasten. Een jaar geleden gold de kaarsrechte zandweg over de olievelden, aangelegd door Chinese, Indiase en Maleisische oliemaatschappijen, als een symbool voor vrede en welvaart in de nieuwe staat. Nu dient de weg als aanvoerroute voor oorlogsmaterieel. Buiten het oliecomplex Unityfields gaapt een bomkrater. Soedanese gevechtsvliegtuigen probeerden olie-installaties in Zuid-Soedan te vernietigen, net als in Heglig gebeurde met de Soedanese olie-infrastructuur. De geschillen over de boedelscheiding tussen Soedan en Zuid-Soedan draaien om de omstreden 1800 kilometer lange grens en om olie. Binnen het complex van Unityfields verscheurt het gekras van kraaien de doodse stilte. Buitenlandse oliewerkers zijn vertrokken. Alles ligt stil. Planten woekeren rond de pijpleiding, sleutels steken in zwijgende machines. Zuid-Soedan staakte in februari de productie, uit protest tegen de exorbitante transitkosten die Soedan vraagt voor het gebruik van de pijplijn naar het noordelijke Port Sudan. Zuid-Soedan erfde bij zijn onafhankelijkheid driekwart van de olievelden. De leidingen en raffinaderijen liggen goeddeels in Soedan. Zuid-Soedan stelt het sindsdien zonder 98 procent van zijn inkomsten.

Door het klimaat van diepgewortelde haat tegen de gearabiseerde Soedanezen kreeg het besluit om de oliekraan dicht te draaien steun van vrijwel alle Zuid-Soedanezen. Het land staat nog in de oorlogsstand. „De Soedanese president Bashir wil onze olievelden inpikken”, zegt Taban Deng, de gouverneur van de deelstaat Unity. Deng zetelt in het fraaie en van stroom voorziene gouverneursgebouw, het enige opgeknapte pand van Bentiu. Naast hem op het leren bankstel zit generaal James Gatduel Gatluak, de opperbevelhebber aan het front. „Je kunt die Arabieren nooit vertrouwen”, zegt hij. Sinds het begin van de oorlog in 1983 leeft hij een vechtersbestaan in de bush. Is hij niet moe van al dat geweld, droomt hij niet van een rustig pensioen? „Misschien”, zegt hij aarzelend, „als onze grensgeschillen en het dispuut over de olie zijn geregeld.”

Gouverneur en generaal, die bekend staan om hun koppigheid: „We gaan onze eigen raffinaderijen bouwen”, voorspelt de gouverneur „en we leggen een eigen oliepijpleiding naar Kenia aan.” De generaal zegt vurig: „Iedere Zuid-Soedanees weet precies waar onze grenzen liggen. Soedan zal ze moeten accepteren.” De gouverneur: „Soedan probeerde ons het afgelopen jaar te wurgen. We overleven. Dat is onze zege.”

‘Zuid-Soedan pleegde zelfmoord. Door het dichtdraaien van de oliekranen stortte de economie in. Een pijplijn naar Kenia is veel te duur. Eén jaar onafhankelijkheid werd een grote mislukking.” In de hoofdstad Juba spuit een medewerker van een grote internationale financiële instelling zijn kritiek. Hij mijdt een openlijke confrontatie met de overheid en wil daarom anoniem blijven. Door het wegvallen van de olie-export ontstond een tekort aan harde valuta. Brandstof is vaak alleen nog op de zwarte markt te krijgen en de kosten voor levensonderhoud stijgen in de steden dramatisch snel. Cijfers van tachtig procent inflatie worden genoemd. „Bij de leiders bestaat geen gevoel voor de waarde van geld”, zegt de financieel expert.

Een manager van een privébank in Juba noemt het beleid „naïef en gevaarlijk”. Hij ziet geen tekenen van een bankroet van de economie. „Om in te storten, moet je eerst een bepaald niveau hebben bereikt. Zuid-Soedan produceert vrijwel niets, alle goederen komen van buiten. De enige industriële activiteiten zijn een bierbrouwerij en een bedrijf voor mineraalwater. De economie is louter informeel. Dan betekent een begrip als inflatie niet zoveel.”

De regering denkt het tot het eind van het jaar financieel te kunnen uitzingen. Ze rekent op voedselhulp van donorlanden, net als tijdens de oorlog. Ze kreeg een lening van 500 miljoen dollar van Qatar en mogelijk ook geld van Angola.

Strijders van het Soedanese Volksbevrijdingsleger (SPLA) vormden na het vredesverdrag de regering. Het personeel van het oude regime verdween met alle kennis naar het noordelijke Soedan en de nieuwe bestuurders hadden nul ervaring. Ongeschoolde officieren fietsten met koffers vol dollars over het platteland om ambtenaren te betalen. Onderweg deelden ze wat aan voorbijgangers uit. De ene minister ging in de goudhandel, de ander in transport, de neef van de president bleek plotseling eigenaar van een duur restaurant en een moderne boerderij. SPLA-officieren pikten peperdure stukken grond in het snelgroeiende Juba in. In 2009 zou met één miljard dollar overheidsgeld een strategische graanreserve worden opgebouwd. Van de duizend contracten voor voedselleveranties werden er zeven uitgevoerd, alle andere leveranciers kregen ook uitbetaald, maar leverden er geen korrel graan voor. Zuid-Soedan ontwikkelde zich in korte tijd tot een van de meest corrupte staten van Afrika.

De dertig jaar oude Pauline leefde jarenlang als balling in Duitsland, studeerde er bestuurswetenschap en keerde in 2005 terug. Ze werkt nu op een ministerie om de ambtenarij buiten de steden op te zetten. „Ik schrok van de mentaliteit hier. De meeste ambtenaren zijn ex-soldaten van de SPLA en ze menen dat na hun lange tijd in de bush de regering hun iets schuldig is. Ze zijn geen dienaren van het volk maar dieven.” Ze kan maar niet wennen aan het werkethos. „Wij waren in de diaspora gewend hard te werken, hier gaat alles er veel relaxter aan toe. Ik wil direct om acht uur aan het werk en ga pas naar huis als ik klaar ben. Mijn Zuid-Soedanese collega’s drinken eerst thee tot tien uur en taaien om drie uur alweer af. Het is de instelling van luierende vrijheidsstrijders onder een acacia. President Salva Kiir zal aan het lummelen en stelen paal en perk stellen. Daarom schreef hij zijn brief.”

Een minister maakt een fles Johnnie Walker open in een bar bij de luchthaven van Juba, alsof hij nog steeds een guerrillastrijder is. „We modderen maar wat aan”, beaamt hij. „We hebben geen plannen en geen visie. Daarom wordt er zoveel gestolen binnen de overheid.” De minister begint over de brief te praten. Hij schenkt een glas in voor het hoofd van de veiligheidsdienst en vraagt: „Heb jij ook de brief van de president ontvangen?” Ze lachen en schudden elkaar uitbundig de hand.

Iedereen in Zuid-Soedan heeft het over De Brief, die insloeg als een bom. „Zodra we aan de macht waren, vergaten we waarvoor we hadden gevochten en begonnen onszelf te verrijken ten koste van het volk”, schrijft Kiir daarin aan 75 ministers, parlementsleden, officieren en hoge ambtenaren. De president noemt in de brief het kolossale bedrag van vier miljard gestolen dollars. Hij biedt amnestie en geheimhouding aan degenen die het gestolen geld op een rekening in Kenia terugstorten.

„Een dapper besluit om op een robuuste en unieke manier corruptie aan te pakken,” noemt Barnaba Marial Benjamin, de minister van Informatie, De Brief. „De nieuwe bestuurders blijken ook in corruptie niet professioneel. Ze stalen in alle openheid, ze roomden niet op slimme wijze geld af van contracten of overheidsbudgetten. Daardoor kon Kiir vorig jaar al een lijst van corrupte medewerkers overleggen.”

Vooral vanaf de kansel wordt tegen het machtsmisbruik door de voormalige vrijheidstrijders gepredikt. Een kerkleider in Juba concludeert: „Als de president zijn eigen brief serieus neemt en de verdachten ontslaat, dan heeft hij geen regering meer.”

Aan het zwembad in een duur hotel in Juba kijkt minister Peter Adwok Nyaba van hoger onderwijs naar een stel begerenswaardige vrouwenbenen. „Tja, die moeten weer terug naar de diaspora”, zegt hij, en wendt zich af van de vrouw, een uit Australië teruggekeerde Zuid-Soedanese. „De regering inde 14 miljard dollar sinds het vredesverdrag van 2005. Alles ging op aan corruptie en consumptie. Het roer moet om. Alle Zuid-Soedanezen moeten terug naar de landelijke gebieden om te produceren. Zuid-Soedan moet een agrarische samenleving worden.” Makkelijk zal dat niet worden, het platteland telt slechts 350 kilometer verharde weg, er is geen enkele infrastructuur voor de boeren.

Bij Terekeka, iets ten noorden van Juba, zwoegen zeventien mannen in blauw uniform en gele laarzen op vruchtbare aarde. In Zuid-Soedan wonen maar 8,5 miljoen mensen, het is groter dan Kenia en Oeganda samen en beschikt over genoeg landbouwgrond. Twee maanden geleden groeiden hier nog bomen. Tot Sabit Asholi met het stamhoofd een overeenkomst sloot om te mogen boeren. Sabit woonde twaalf jaar in Nederland. Hij inspecteert zijn boerderij in gezelschap van de Nederlandse Anja Feijter, zadenexpert en potentiële investeerder.

„Wat doe je nou”, tikt Anja de voorman van de blauwe mannen op de vingers. „Jullie gebruiken dure zaden maar verbouwen ze als gewone bush-tomaten.” De voorman kijkt verbaasd: „Zo doen we dat altijd.”

De oorlog heeft een breuk geslagen in de kennisoverdracht. „We vluchtten voor de vernietiging van onze huizen en oogsten. We verloren onze geestdrift”, zegt Sabit Asholi in het Nederlands. „Kennis van landbouw gaat over van vader op zoon. Nu weten we zelfs niet meer hoe we moeten boeren.”

Het stamhoofd bij Terekeka kreeg tijdens de oorlog voedselhulp. Nu wil hij van Sabit als tegenprestatie voor het stuk grond een ziekenhuis, een lagere school en een auto. „Oh ja, en ook een auto voor mezelf.” De oorlog leerde de Zuid-Soedanezen bedelen.

Justin, die na de onafhankelijkheid van Zuid-Soedan terugkwam uit het buitenland, zegt dat het „verschrikkelijk moeilijk is om aan de slag te komen”. Hij probeert te boeren bij Kaji Keji, ten zuiden van Juba. Land in Zuid-Soedan behoort aan het volk en alleen traditionele stamhoofden mogen grond toewijzen. Na zes maanden overleggen sloot Justin eindelijk een deal. „Maar toen wilde niemand op mijn boerderij werken. Alleen enkele gedetineerden, want die stierven van de honger in de gevangenis. We moeten onze mentaliteit veranderen, anders kunnen we Zuid-Soedan niet opbouwen.”