Het lukt vrouwen niet, topcarrière en gezin tegelijk Eerst carrière maken, maar ook kinderen voor je 35ste

Een topfunctie valt niet te combineren met een gezin, constateert Anne-Marie Slaughter na haar vertrek uit een hoge post bij Buitenlandse Zaken van de VS, in een veelbesproken essay.

Ik werkte anderhalf jaar als eerste vrouwelijke directeur beleidsplanning op het ministerie van Buitenlandse Zaken, een droombaan in de buitenlandse politiek, toen ik in New York bij de Verenigde Naties op de jaarvergadering van alle staatshoofden en ministers uit de wereld was. Op een woensdagavond gaven president Obama en zijn vrouw een chique receptie in het American Museum of Natural History. Ik nipte champagne, begroette buitenlandse hoogwaardigheidsbekleders en mengde me onder de gasten. Telkens moest ik denken aan mijn veertienjarige zoon, die drie weken daarvoor weer naar school was gegaan en nu al weer in zijn bekende patroon verviel: hij deed zijn huiswerk niet, verstoorde lessen, haalde onvoldoendes bij wiskunde en sloot zich af voor elke volwassene die probeerde tot hem door te dringen. ’s Zomers hadden we elkaar nauwelijks gesproken – of liever gezegd: had hij nauwelijks tegen mij gesproken. En in het voorjaar had ik een aantal dringende telefoontjes gekregen – steevast op de dag van een belangrijke vergadering – waardoor ik de eerste trein terug moest nemen uit Washington, waar ik werkte, naar Princeton in New Jersey, waar hij woonde. Doordeweeks zorgde mijn man, die altijd al het mogelijke heeft gedaan om mijn carrière te steunen, voor hem en zijn twaalfjarige broer. Afgezien van noodgevallen kwam ik alleen in het weekend thuis.

Het feministische fundament waarop ik mijn hele carrière had gebouwd, gleed onder mijn voeten weg. Ik was er altijd van uitgegaan dat ik, zolang mijn partij aan de macht was, een politieke functie op Buitenlandse Zaken of in het Witte Huis kon vervullen, als ik maar werk kon doen waarvan ik hield, maar in januari 2011 haastte ik me zo snel als ik kon terug naar huis. Dit was niet alleen om de regels van Princeton (na twee jaar verlof verlies je je aanstelling), maar ook omdat ik graag bij mijn gezin wilde zijn en tot de conclusie was gekomen dat het niet mogelijk was om te jongleren met overheidsdienst op hoog niveau en de behoeften van twee tienerjongens.

Ik heb ook weer niet de gelederen van de fulltimecarrièrevrouwen verlaten – ik ben voltijds docent, schrijf regelmatig columns over de buitenlandse politiek, houd jaarlijks veertig à vijftig toespraken, verschijn geregeld op radio en tv en werk aan een nieuw wetenschappelijke boek – maar om de haverklap kreeg ik reacties van vrouwen van mijn leeftijd of ouder die varieerden van teleurgesteld („Het is zo jammer dat je uit Washington weg moest”) tot neerbuigend („Ik zou op grond van jouw ervaring niet generaliseren. Ik heb nooit compromissen hoeven sluiten en mijn kinderen doen het geweldig”).

De veronderstelling dat mijn keuze iets sneus of ongelukkigs had, was al vervelend genoeg, maar de reactie die inhield dat er iets ondermaats aan mijn ouderschap en/of mijn beroepsinzet was, riep een blinde woede bij me op. Opeens viel het kwartje. Al mijn hele leven stond ik in deze discussie aan de andere kant. Ik was de vrouw met het lichtelijk superieure lachje als een andere vrouw tegen me zei dat ze had besloten even vrijaf te nemen of een minder competitieve loopbaan te kiezen, om meer tijd aan haar gezin te kunnen besteden. Ik was de vrouw die zich op de borst sloeg om haar onwankelbare toewijding aan de feministische zaak en die zelfgenoegzaam babbelde met haar slinkende aantal school- of studievriendinnen die de hoogste sporten in hun beroep hadden beklommen en zich daar handhaafden. Ik hield in mijn colleges de jonge vrouwen voor dat ze alles konden bereiken, ongeacht op welk terrein ze zich begaven. Hiermee gaf ook ik, onbewust, miljoenen vrouwen het gevoel dat het hun eigen schuld was als het hun niet lukte de ladder even snel te beklimmen als mannen en ook nog een actief gezinsleven te hebben – en op de koop toe mooi en slank te blijven.

De vrouwen van mijn generatie hebben zich vastgeklampt aan het feministische credo waarmee we zijn opgegroeid. We zijn vastbesloten het vaandel voor de volgende generatie hoog te houden – ook al zijn onze gelederen gestaag uitgedund door onoplosbare spanningen tussen gezin en carrière – maar als veel leden van de jongere generatie niet meer luisteren, omdat de lichtvaardige herhaling dat ‘alles te bereiken is’ gewoon niet strookt met de werkelijkheid, wordt het tijd voor een gesprek.

Ik geloof nog altijd heilig dat vrouwen ‘alles kunnen bereiken’ – en mannen ook. Ik geloof ook dat we ‘alles tegelijk kunnen bereiken’, maar niet op dit moment, niet met deze structuur van de Amerikaanse economie en maatschappij. Mijn ervaringen van de afgelopen drie jaar hebben me gedwongen een aantal ongemakkelijke feiten onder ogen te zien die breed erkend – en snel veranderd – moeten worden.

Voordat ik in overheidsdienst trad, had ik een academische carrière, als hoogleraar rechten en daarna als decaan van de Woodrow Wilson School of Public and International Affairs aan de Princeton-universiteit. Dit waren allebei veeleisende banen, maar meestal kon ik mijn eigen tijd indelen. Ik kon, als het nodig was, bij mijn kinderen zijn en toch mijn werk doen. Ik moest wel vaak op reis, maar dit bleek ik te kunnen goedmaken met een langere periode thuis of een vakantie met het gezin.

Ik wist dat ik geluk had met mijn carrièrekeuze, maar ik had geen idee hoe veel geluk – totdat ik twee jaar binnen de starre bureaucratie van Washington verkeerde, zelfs met welwillende bazen als Hillary Clinton. Mijn werkweek begon op maandagochtend om tien voor half vijf, als ik opstond om de trein van half zes van Trenton naar Washington te halen. Ze eindigde vrijdagavond laat, in de trein naar huis. In de tussentijd waren de dagen vol vergaderingen. Als de vergaderingen waren afgelopen, begon het schrijfwerk – een niet aflatende stroom memo’s, rapporten en commentaren op andermans concepten. Twee jaar lang kwam ik nooit vroeg genoeg van kantoor om naar winkels te gaan die geen 24 uur per dag open waren, zodat alles, van stomerij tot kapper tot kerstinkopen, in het weekend moest gebeuren, tussen de sportevenementen en muzieklessen van de kinderen, de maaltijden met het gezin en de telefonische vergaderingen door. Ik had recht op één dag vakantie in de maand – en ik had het beter dan tal van mijn collega’s in Washington. Minister Clinton kwam opzettelijk om een uur of acht binnen en vertrok weer rond zeven uur, om haar naaste medewerkers ’s ochtends en ’s avonds tijd voor hun gezin te gunnen – al begon ze thuis natuurlijk zelf al eerder en werkte ze daar ook nog langer door.

Kortom, zodra ik een baan had die kenmerkend is voor het overgrote merendeel van de werkende vrouwen (en mannen) en lange uren maakte die door iemand anders werden bepaald, paste het ouderschap niet meer bij de hoge baan die ik wilde – tenminste, niet met een kind dat een moeizame puberteit doormaakte. Ik besefte iets wat misschien voor zichzelf had moeten spreken: ‘alles bereiken’ hing – althans voor mij – vrijwel geheel af van het soort baan dat ik had. Deze keerzijde was een harde waarheid. ‘Alles bereiken’ was in veel soorten werk – waaronder hoge overheidsbanen – niet mogelijk, in elk geval niet erg lang.

Toch gaat de beslissing om een machtspositie op te geven – om het gezin boven carrièreontwikkeling te stellen, zelfs tijdelijk – lijnrecht in tegen de heersende maatschappelijke druk op Amerikanen in hoge functies. In Washington is ‘ontslag nemen om tijd aan je gezin te besteden’ een eufemisme voor ontslagen worden. Het is zo ondenkbaar dat een functionaris werkelijk zou aftreden om tijd aan zijn of haar gezin te besteden dat dit wel een dekmantel moet zijn voor iets anders.

Miljoenen andere werkende vrouwen hebben te maken met nog veel moeilijker levensomstandigheden. Sommigen zijn alleenstaande moeders. Velen kunnen maar met moeite werk vinden. Anderen ondersteunen een man die geen werk kan vinden. Velen kampen met een werkend bestaan waarin goede kinderopvang niet beschikbaar of heel duur is. Schooltijden sluiten niet aan op werktijden. Veel van deze vrouwen maken zich geen zorgen of ze wel ‘alles bereiken’, maar of ze kunnen houden wat ze hebben. Ook al zijn vrouwen er als groep in beloning, opleidingsniveau en prestige de afgelopen dertig jaar aanzienlijk op vooruit gegaan, de economen Justin Wolfers en Betsey Stevenson hebben aangetoond dat vrouwen tegenwoordig minder gelukkig zijn dan hun voorgangers in 1972, zowel in absolute zin als in verhouding tot mannen.

Pas als vrouwen in voldoende aantallen macht uitoefenen, krijgen we een samenleving die echt werkt voor alle vrouwen. Die samenleving zal dan ook voor iedereen werken.

Het reservoir van vrouwelijke kandidaten voor een topbaan is klein en zal alleen maar nog kleiner worden als de vrouwen die na ons komen besluiten vrijaf te nemen of helemaal uit de wedloop om de hogere banen te stappen om kinderen op te voeden. Bovendien is een evenwichtig leven onder mensen in topfuncties nog altijd moeilijker te verwezenlijken voor vrouwen dan voor mannen. Een eenvoudige maatstaf is het aantal vrouwen in topposities dat kinderen heeft in vergelijking tot hun mannelijke collega’s. Alle mannelijke rechters in het Hooggerechtshof hebben een gezin. Twee van de drie vrouwelijke rechters zijn alleenstaand zonder kinderen. De derde, Ruth Bader Ginsburg, begon haar carrière als rechter pas toen haar jongste kind bijna volwassen was. Het patroon is hetzelfde bij de Nationale Veiligheidsraad. Condoleezza Rice, de eerste en enige vrouwelijke nationaleveiligheidsadviseur, is sinds de jaren vijftig ook de enige nationaleveiligheidsadviseur zonder gezin.

In de jaren tachtig was het aantal mannen en vrouwen op college vrijwel fiftyfifty. We wisten toen zeker dat we nu in een fiftyfiftywereld zouden leven. Ergens is deze droom ontspoord. Ik vrees dat de hindernissen die vrouwen beletten de top te bereiken heel wat prozaïscher zijn dan de reikwijdte van hun ambitie. Deze ‘alledaagse’ kwesties – de noodzaak voortdurend te reizen om succes te hebben, het niet aansluiten van school- en werktijden, de eis dat het werk op kantoor wordt gedaan – zijn niet op te lossen met aansporingen om de ambitiekloof te dichten.

Mannen groeien nog steeds op met de overtuiging dat hun hoofdtaak in het gezin die van kostwinner is en vrouwen met de overtuiging dat hun hoofdtaak in het gezin die van zorgverlener is, maar de keuze om meer tijd aan de kinderen te besteden in plaats van lange dagen te maken ten gunste van zaken die veel levens beïnvloeden, wordt door veel mannen beschouwd als egoïstisch. Mannelijke leiders worden maar al te vaak geprezen omdat ze hun persoonlijke leven hebben geofferd op het altaar van de publieke of zakelijke dienstverlening, maar uiteraard betreft dit offer meestal hun gezin. Werknemers die hun carrière vooropstellen, worden meestal beloond; werknemers die voor hun gezin kiezen, worden veronachtzaamd, gewantrouwd of van gebrek aan professionalisme beschuldigd.

Kortom – willen vrouwen ‘alles bereiken’, dan is een ondersteunende partner misschien wel een noodzakelijke, maar niet voldoende voorwaarde. Uiteindelijk moet de samenleving veranderen en evenveel waarde hechten aan de keuze om het gezin boven het werk te stellen als om het werk boven het gezin te stellen. Mensen trouwen tegenwoordig meestal later. Wie eerder kinderen krijgt, heeft hoe dan ook moeite om een studie af te ronden, een goede eerste baan krijgen en kans te maken op promotie in de beslissende eerste jaren van de carrière. Later zijn veel carrières eigenlijk uitgesloten. Persoonlijk heb ik nog nooit een vrouw van in de veertig met succes de universitaire markt zien betreden of als junior partner bij een advocatenkantoor aan de slag zien gaan, ondanks Alicia Florrick uit The Good Wife.

Veel vrouwen van mijn generatie hebben in de bloei van hun carrière nee gezegd tegen mogelijkheden, in de hoop dat deze kansen zich later nog eens zouden voordoen. Tal van anderen die hebben besloten tijdelijk een stapje terug te doen om als consultant of met een parttimebaan meer tijd aan hun kinderen – of bejaarde ouders – te kunnen besteden, vragen zich bezorgd af hoe lang ze ‘aan de kant kunnen staan’ voordat ze de voorsprong op de concurrentie, die ze met zo veel inspanning hebben verworven, kwijt zullen zijn.

Als ik zie waarop onze werkcultuur is gericht, adviseer ik eerst carrière te maken, maar dan toch nog te proberen voor je 35ste kinderen te krijgen – of anders je eitjes in te vriezen, of je nu getrouwd bent of niet. Je zou als dertiger of veertiger weleens een volwassener en minder gefrustreerde ouder kunnen zijn en ook is de kans groter dat je een levenspartner hebt gevonden, maar het blijft een feit dat de volgorde in geen van beide gevallen optimaal is en compromissen met zich brengt die mannen niet hoeven sluiten.

De cultuur van de ‘tijdmacho’ – een meedogenloze wedloop om harder en langer te werken, nachten door te halen, de wereld af te reizen en de extra uren te berekenen die de internationale datumgrens oplevert – blijft onder professionals verbazingwekkend wijdverbreid. Volgens een studie van het Center for American Progress is sinds eind jaren zeventig het aandeel van alle professionals – vrouwen en mannen – die meer dan vijftig uur per week werken, gestegen over het hele land.

Ik heb zelf in de loop van mijn carrière lange dagen gemaakt en heel wat nachten doorgehaald, ook wel een paar nachten op de bank in mijn werkkamer tijdens mijn twee jaar in Washington. De bereidheid uren te maken als het werk gewoon af moet, is terecht een kenmerk van een succesvolle professional, maar achteraf moet ik toegeven dat ik – in de veronderstelling dat het laat zou worden – in de loop van de dag veel minder efficiënt was dan ik misschien had kunnen zijn en zeker dan sommige collega’s, die dezelfde hoeveelheid werk af kregen en toch op een redelijke tijd naar huis gingen. Lange dagen, akkoord, ze horen erbij en zijn vaak onvermijdelijk, maar moeten ze echt worden doorgebracht op kantoor? Natuurlijk is het nuttig om een deel van de tijd op kantoor te zijn. Persoonlijke gesprekken zijn soms veel efficiënter dan telefoontjes of e-mailtjes, vertrouwen en collegialiteit zijn veel gemakkelijker op te bouwen om dezelfde fysieke tafel en uit spontane gesprekken komen vaak goede ideeën en blijvende relaties, maar gewapend met e-mail, instant messaging, telefoon en videoconferentie zouden we toch naar een cultuur moeten kunnen waarin het kantoor meer een operatiebasis dan de vereiste werklocatie is.

De gemiddelde levensverwachting voor twintigers is gestegen tot tachtig jaar. Gezonde mannen en vrouwen kunnen gemakkelijk werken tot hun 75ste. Vrouwen kinderen krijgen als ze achter in de twintig zijn, mogen verwachten volledig op te gaan in hun carrière als ze eind veertig zijn, met nog genoeg tijd om de top te bereiken als ze eind vijftig, begin zestig zijn. Vrouwen die het brengen tot partner, directeur of commissaris, een universitaire aanstelling krijgen of een artsenpraktijk opbouwen voordat ze kinderen krijgen als ze eind dertig zijn, zullen voor de meest veeleisende banen ook tegen hun zestigste weer op koers liggen.

Intussen zouden vrouwen de klim naar het leiderschap niet moeten zien als een rechte helling omhoog, maar als een trap met onregelmatige treden en met periodieke plateaus – en zelfs dalen – waarbij ze promoties afwijzen en werk blijven doen dat in hun gezinssituatie past. Ik zie deze plateaus als ‘investeringspauzes’.

Een van de meest verrassende onderdelen van mijn terugkeer uit Washington was om te bedenken wat ik nu echt wilde. Diep van binnen wilde ik naar huis. Ik wilde tijd kunnen besteden aan mijn kinderen in de laatste paar jaar dat ze vermoedelijk nog thuis zullen wonen, ook voor mij onvervangbare jaren om te genieten van de simpele genoegens van het ouderschap – honkbalwedstrijden, pianorecitals, ontbijten met wafels, familie-uitjes en malle rituelen. Met mijn oudste zoon gaat het erg goed. Ook al maakt hij het ons moeilijk, zoals elke tiener, het geeft grote voldoening om thuis te zijn en hem te helpen zijn keuzes te vormen en goede beslissingen te nemen.

Vrouwen hebben zelf bijgedragen aan de fixatie op het eendimensionale leven, zij het noodgedwongen. De feministen van de pioniersgeneratie trokken een muur op tussen hun privéleven en hun imago in hun werk, om nooit te kunnen worden gediscrimineerd wegens een gebrek aan professionele betrokkenheid. Toen ik in de jaren tachtig rechten studeerde, hoorde ik van veel vrouwen die toen opklommen in de hiërarchie van New Yorkse advocatenkantoren dat ze nooit toegaven dat ze vrijaf namen voor een doktersafspraak of voor een schooluitvoering van een kind. In plaats hiervan verzonnen ze een neutraler excuus.

Toen ik in 2002 decaan van de Woodrow Wilson School werd, besloot ik dat een van mijn voordelen als vrouw met macht was dat ik kon helpen de normen te veranderen, door bewust te praten over mijn kinderen en mijn wens om balans in mijn leven te hebben. Daarom beëindigde ik stafvergaderingen om zes uur, door te zeggen dat ik naar huis moest voor het avondeten; ook maakte ik alle studentenorganisaties duidelijk dat ik niet met hen uit eten zou gaan, omdat ik van zes tot acht thuis moest zijn, maar dat ik vaak bereid zou zijn om na achten weer naar een vergadering te komen. Ik heb ook eens tegen mijn adviescommissie gezegd dat mijn assistent de volgende vergadering zou voorzitten, opdat ik naar een ouderavond kon.

Het is niet per se een vrouwenzaak om een evenwichtiger leven na te streven; evenwicht zou voor ons allemaal beter zijn. Bronnie Ware, een Australische blogster die jaren in de palliatieve zorg heeft gewerkt en in 2011 het boek The Top Five Regrets of the Dying publiceerde, schrijft dat deze verzuchting het vaakst hoorde: „Ik wou dat ik de moed had gehad om te leven zoals ik zelf wilde, niet zoals anderen van me verwachtten.” De op een na meest voorkomende verzuchting was: „Ik wou dat ik niet zo hard had gewerkt.” Ze schrijft: „Dit hoorde ik van elke mannelijke patiënt die ik verpleegde. Ze misten de jeugd van hun kinderen en het gezelschap van hun partner.”

Het meest bemoedigende nieuws is misschien wel dat mannen zich aansluiten bij de goede zaak, al zijn abstracte ambities natuurlijk gemakkelijker dan concrete compromissen. Deze jongemannen zijn nog niet gesteld voor de vraag of ze bereid zijn die prestigieuze aanstelling op te geven, een promotie te weigeren of hun professionele doelstellingen op te schorten om meer tijd te besteden aan hun kinderen en de carrière van hun partner te ondersteunen.

En passant maken we voor alle vrouwen een betere samenleving. Misschien moeten we een vrouw in het Witte Huis zetten voordat we de omstandigheden kunnen veranderen van de vrouwen die bij Walmart werken, maar dan praten we ook niet meer over de vraag of vrouwen wel ‘alles kunnen bereiken’. Dan richten we ons echt op de vraag hoe we alle Amerikanen kunnen helpen om een gezond, gelukkig en productief leven te leiden en de mensen van wie ze houden net zo te waarderen als het succes dat ze nastreven.

Anne-Marie Slaughter is hoogleraar politiek en internationale zaken aan de Princeton-universiteit.

© The Atlantic Monthly Group 2012. Dit is een bekorte versie van het essay van Slaughter. Het volledige essay is te lezen op bit.ly/LgipnR