Het Komrij-wezen

Er is een fabeldier dat ‘Komrij’ heet,

Een wonderlijke naam voor zoiets aardigs.

De kop ervan is weliswaar vrij breed,

Maar verder heeft het niet veel eigenaardigs.

Hij is gewoon wat sullig, een soort flop.

Zijn handen lijken erg op kolenschoppen,

Ook zit de kop gewoon er bovenop.

Hij zal zich nooit eens tot iets moois ontpoppen.

Hij is een hond, meer niet. Zijn hele leven

Zal hij een wezen zijn ‘dat steeds begrijpt’.

Alleen diep in de nacht jankt hij soms even,

Daar een geheime pijn zijn strot toeknijpt.

uit: Gerrit Komrij, Fabeldieren, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1975