Eerder te weinig popmuziek op North Sea Jazz

Ik kom uit Den Haag, de bakermat van North Sea Jazz. Het eerste woordje dat ik leerde, weet ik niet meer. Maar de eerste zin moet haast wel zijn geweest: ‘Ze-zouden-het-North-Sea-Jazz-geen-North-Sea-Jazz-meer-moeten-noemen.’ Al decennia klagen puristen over de programmering van North Sea Jazz die zich teveel op popmuziek zou richten.

De klagers hebben vaak gemeen dat ze niet daadwerkelijk op North Sea Jazz rondlopen. Dan zouden ze zien dat de jazz uit alle hoeken en gaten op ze afkomt, ook al staan er op vooral op de hoofdpodia wat grote namen uit de pophoek. Er is aan jazz op North Sea Jazz bepaald geen gebrek. De klagers hebben ook een wat curieus beeld van jazz gemeen. Blijkbaar zien ze de muziekstroming die leeft bij de gratie van durf, vernieuwing en improvisatie, als iets dat in een rigide hokje dient te worden afgebakend.

Er is wel degelijk iets mis met de popprogrammering van deze editie van North Sea Jazz. Maar dat is eerder dat er te weinig popmuziek in het programma zit. Ik kan u vertellen dat voor een journalist die de poproute dient te volgen, de keuzes snel gemaakt zijn. Er dubbelt nauwelijks iets, waar de jazzgiganten elkaar hier en daar behoorlijk concurreren. En echt spannend en fris wil het vooralsnog ook niet worden.

Gisteren stond op het Pitch-festival in Amsterdam The Weeknd, een voorloper van een zeer boeiende nieuwe muzikale trend: de opkomst van de beklemmende en melancholische synthesizer-r&b die zich bevindt op het snijvlak van soul, hiphop, elektronica en indierock, en die door de invloedrijke muziekblogs met gejuich is onthaald. Het is een act die perfect in het programma van North Sea Jazz zou hebben gepast. Het is een act die zich op dit moment in het oog van de storm bevindt, waar spanning omheen zit.

Maar ook rapper Nas, de hiphoplegende die volgende week een van zijn beste albums ooit lijkt te gaan uitbrengen en die vorige week met een band in De Melkweg stond, was een geweldige aanwinst voor North Sea Jazz geweest. Elk jaar één toonaangevende hiphopact zou al genoeg zijn; één grote naam in een genre dat zo gretig put uit alle andere muziekstijlen die op het festival centraal staan, ze opnieuw definieert en er zo hele nieuwe generaties kennis mee laat maken.

De popmuziek die er wel staat, is vooralsnog te voorzichtig. Lenny Kravitz deed gisteren bedwelmd zijn vaste set met hier en daar wat pittige momenten. De uitsmijter, een half uur lang Let Love Rule met heerlijke uithalen van Trombone Shorty, was een fris hoogtepunt, hoewel Kravitz iets dergelijks vrijwel altijd tegen het eind van zijn concerten doet; van de zaal lang het refrein laten zingen, tot de ellenlange duur. Zijn band rockte maar week nauwelijks van het parcours af.

Vorig jaar wist Prince de essentie van het festival te raken door in drie concerten steeds vanaf nul te beginnen; door te verwarren en sommige fans zelfs tot wanhoop te brengen omdat ze na zes uur nog steeds de grote hits niet gehoord hadden. Het probleem is niet dat er te veel pop is op North Sea Jazz maar dat de pop die er is, vooralsnog veel te netjes binnen te lijntjes blijft. Maar we houden hoop.