Doodsangst kom ik zelden tegen

In de rubriek ‘Het laatste woord’ praten mensen over de laatste levensfase.

Daaronder staat wekelijks een necrologie van een niet per se bekende persoon.

Vragen stellen. Dat is, in twee woorden, haar remedie. Diana Geers is palliatief verpleegkundige. Nee, ze wast geen zieken, verschoont geen bedden, geeft geen injecties. Ze is, typeert ze, „tolk, intermediair, klankbord”.

Ze zegt: „In de loop van het leven vervult een mens allerlei rollen: kind, partner, ouder, collega – enzovoorts. Daaruit ontstaat iemands zelfbeeld. De laatste levensfase kan dat zelfbeeld doen wankelen.”

De rol van stervende is een zware?

„Dat verschilt van mens tot mens. Door de aard van mijn werk spreek ik vooral mensen die moeite hebben in de laatste fase.”

Waarmee worstelen zij?

„Een probleem kan zijn dat artsen te lang doorgaan met behandelen. Ze zijn opgeleid om ziektes te bestrijden. Daarvoor beschikken ze over een carrousel van medicijnen, therapieën, operaties. Maar een mens is geen machine. Ziekte, en zeker in de laatste levensfase, heeft ook andere kanten: sociale, emotionele, spirituele. Gesprekken daarover krijgen niet altijd de ruimte die ze nodig hebben.”

Men loopt om de hete brij heen?

„Dat kom ik tegen, ja. Gesprekken over emoties zijn tijdrovend, moeilijk, kunnen onvoorspelbare wendingen nemen. Een arts is sneller klaar wanneer hij zegt: mijn vorige behandeling heeft niet het gewenste effect gehad, maar ik heb een sterker middel klaarstaan. Een patiënt denkt dan: oei, slecht nieuws, maar gelukkig ook een lichtpuntje.”

Valse hoop? Kop in het zand?

„Ik noem het crisismijding. Er zijn specialisten die vast denken: de huisarts kent de patiënt beter en heeft een vertrouwensband, laat die de moeilijke gesprekken maar voeren. Even zo goed zijn er patiënten die denken: de dokter zal ’t wel weten, ik stel verder geen vragen, ik ga niet naar m’n eigen doodvonnis informeren. Bovendien kan een rol spelen dat partners totaal verschillend omgaan met het vooruitzicht van de dood.”

Man zegt: ik geef de strijd op, vrouw zegt: nee, vecht door!?

„Op allerlei manieren kunnen partners en familieleden elkaar in de tang houden. Vaak zijn er onderhuidse spanningen: onuitgesproken wensen, opvattingen, angsten.”

Dan verschijnt u aan het ziekbed. Hoe kom ik met u in contact?

„Via een behandelend arts, of iemand van de thuiszorg. Of mensen benaderen me rechtstreeks. Dat gebeurt vaak wanneer een zorgverlener inziet: er is bij deze man of vrouw méér aan de hand, maar ik krijg er de vinger niet achter. Of mensen zoeken een neutrale vertrouwenspersoon. Met een familielid of arts kan een relatie zijn ontstaan waarin ze heikele kwesties niet durven uit te spreken.”

Hoe wint u hun vertrouwen?

„Ik vertel dat ik vragen kom stellen en dat mensen volledig de regie hebben over hun eigen antwoorden: ze bepalen zelf wat ze wel of niet willen vertellen. Ik zeg dat ik er niet alleen ben voor de patiënt, maar ook voor familieleden en contacten met behandelaars, wanneer daaraan behoefte bestaat. Ik help woorden te vinden voor kwesties die niet eerder benoemd en besproken zijn. Ik help mensen hobbels te nemen, waardoor ze beter contact krijgen met hun naasten en beter met de naderende dood kunnen omgaan.”

Concreet?

„De ene keer ontwikkelt een gesprek zich vanzelf. De andere keer vergt het meer moeite helder te krijgen wat er speelt. Dan gebruik ik de metafoor van de ruiter en het paard, of van de ijsberg, om mensen anders naar hun situatie te laten kijken.”

De ruiter en het paard?

„Ja, ik zeg: u bent niet ziek, uw lichaam is ziek. Uw lichaam is uw paard, u bent de ruiter. Het zieke paard is aan uw zorg toevertrouwd: u moet goed luisteren welke signalen het paard geeft. U kunt niet blijven doordraven zoals u gewend was. U kunt het paard wel met een zweep ervan langs geven, maar daar wordt het niet beter van.”

U scheidt lichaam en geest?

„Ja, maar voor veel mensen klinkt dat te zweverig. ‘De ruiter en het paard’ is neutrale beeldspraak. Wanneer ik bij een volgende ontmoeting vraag ‘hoe gaat het?’, krijg ik vaak te horen over pijn of gebrek aan eetlust. Dan zeg ik: ‘Het paard heeft het zwaar. En hoe gaat het met de ruiter?’ Die vraag wordt meestal direct begrepen. Dan ontstaat een gesprek waarin iemand kan reflecteren op z’n eigen situatie en loskomt van z’n ziekte.”

Wat leert uw andere metafoor, van de ijsberg?

„Die gebruik ik om problemen in relaties helder te krijgen. Dan zeg ik: mensen zijn als een ijsberg in zee: slechts het topje is voor iedereen zichtbaar. Dat is ons gedrag. Onder de zeespiegel zitten onze gedachten en gevoelens, die we alleen via ons gedrag aan anderen kunnen tonen. Dit model helpt beladen kwesties te bespreken. Dan vraag ik: ‘Spelen er ook gedachten die tot dusver onder water zijn gebleven?”

Zoals angst voor de dood?

„Die kom ik zelden tegen. De angst gaat vaker over lichamelijk lijden, verlies van autonomie, het achterlaten van dierbaren.”

Voert u ook gesprekken over ‘leven na de dood’?

„Ik luister wel, als mensen daaraan behoefte hebben. Tegelijk maak ik mijn eigen positie duidelijk. Dan zeg ik: van de dood heb ik geen verstand, dus ook niet van de vraag of en hoe het leven daarna eventueel verder gaat. Wel kan ik u helpen bij het laatste stukje van uw leven hier op aarde. Dat is al moeilijk genoeg.”

Tekst & foto Gijsbert van Es

Reacties: laatstewoord@nrc.nlTwitter: #hetlaatstewoord