De macht van de Kamer

De Tweede Kamer is vrijdag met reces gegaan, in de wetenschap dat voor veel leden het einde van hun politieke loopbaan al nabij is. Op Prinsjesdag, zes dagen na de vervroegde verkiezingen van 12 september, komt de Kamer nog een keer in de huidige samenstelling bijeen en in de zomermaanden wellicht voor spoedberaad, maar dat is het dan. De val van het kabinet-Rutte veroorzaakt voor menig Kamerlid een vroegtijdig slot van zijn zittingsperiode, die pas op 17 juni 2010 was ingegaan.

Een substantieel deel van dat tijdvak, sinds 26 oktober 2010 toen het kabinet aantrad, mocht de Kamer de gedachte koesteren dat de macht bij haar berustte, macht die de gekozen volksvertegenwoordigers ook toekomt. Het kabinet van VVD en CDA was een minderheidskabinet dat maar op 51 zetels mocht rekenen en weliswaar met behulp van gedoogpartner PVV op 76 zetels kon komen, maar dat zou telkens maar afwachten zijn, luidde de theorie.

Premier Rutte besefte dat ook. In het regeerakkoord noteerde hij: „Ook over de grens van de politieke samenwerking tussen de fracties van VVD, PVV en CDA heen streeft het kabinet naar draagvlak voor daadkrachtig beleid.” Wat in feite vanzelfsprekend zou moeten zijn, kreeg zo in de situatie van het minderheidskabinet, extra accent. En de ministers móésten regelmatig de steun van de oppositie zien te veroveren op wat verreweg het belangrijkste politieke issue voor het kabinet bleek te worden: het Europese beleid. In het bijzonder de bestrijding, uit eigen belang, van de financieel-economische crisis in veel eurolanden. Op die zeer essentiële punten kreeg het kabinet geen enkele steun van ‘gedoogpartner’ PVV. Waar een minderheidskabinet uit democratisch oogpunt op zichzelf niet onaantrekkelijk hoeft te zijn, was dit politieke samenwerkingsverband daarom ongelukkig. Het had er beter niet kunnen komen.

Diezelfde financieel-economische crisis leidde ertoe dat de Kamer dit voorjaar haar machtspositie optimaal benutte. Toen het kabinet was gevallen, sloten de twee regeringsfracties met drie oppositiepartijen (D66, GroenLinks en ChristenUnie) het Lenteakkoord, waardoor Nederland straks een begroting kan presenteren met een, voorlopig, aanvaardbaar financieel tekort. Los van het ongenoegen dat ontstond toen de afspraken meer gedetailleerd bekend werden, was dat akkoord reden voor opluchting. Het parlement toonde aan tot krachtige besluitvorming in staat te zijn.

Enige tijd na de verkiezingen van 12 september treedt er een nieuw kabinet aan dat opnieuw uit vertegenwoordigers van verschillende partijen zal zijn samengesteld. Of dat nu een minderheids- of meerderheidskabinet wordt, in beide situaties is het dan onwenselijk dat er een regeerakkoord komt dat partijen met handen en voeten bindt. Ook dat kabinet, van welke kleur ook, doet er goed aan over de grenzen van politieke samenwerkingsverbanden heen te reiken. Opdat de macht inderdaad berust bij de volksvertegenwoordigers voor wie de kiezers naar de stembus zijn geroepen.

En dan is het is te hopen dat de nieuwe Tweede Kamer dit van de vertrekkende parlementariërs zal leren: er is uiteindelijk maar één orgaan dat bepaalt hoe machtig en invloedrijk de Tweede Kamer is. Dat is de Tweede Kamer zelf.