Boerenkermis in de hel

Aflevering 45: over schilder-kunst van Bosch en Bruegel.

Pieter Bruegel de Oude: De Dulle Griet (1562, Museum Mayer van den Bergh in Antwerpen), invloedrijk tot en met Suske & Wiske. ©

In een liedje van de Duitse groep BAP, gezongen in Keuls dialect maar niettemin een pan-Europees succes in de vroege jaren tachtig, wordt gewaarschuwd voor een nieuwe ‘Kristallnaach’. Racisme en xenofobie kunnen al te gemakkelijk leiden tot pogroms, zingt Wolfgang Niedecken, en op een dag word je wakker en ben je getuige van een apocalyptisch tafereel; of zoals de tekstdichter het formuleert, ‘een beeld tussen Bruegel en Bosch’.

Het is niet moeilijk om je daar iets bij voor te stellen: Jheronimus Bosch (circa 1450-1516) grossierde in gepijnigde mensen en gapende hellemonden, bijvoorbeeld op de rechterbinnenluiken van zijn triptieken over het Laatste oordeel (tegenwoordig in de Weense Academie) en de Tuin der lusten (in het Prado te Madrid). Op zijn Laatste Oordeel in het Brugse Groeningemuseum zie je in de rechterbovenhoek een gigantische brand die een desolaat landschap in een roodbruine gloed zet. Een geschilderde herinnering, zo menen sommige critici, aan de allesverwoestende brand van ’s-Hertogenbosch waarvan Jeroen Bosch als jonge gezel getuige was.

Apocalypse Now! is de associatie, net als bij het schilderij De Dulle Griet dat Pieter Bruegel (circa 1525-1569) zeventig jaar later in de stijl van Jeroen Bosch maakte. Daarop zien we een vervaarlijke vrouw met helm en zwaard, die op een slagveld te midden van brand, moord en plundering aan de poort van de hel staat. Stripliefhebbers kennen het beeld. In een van de Suske & Wiske-albums van Willy Vandersteen – door zijn collega Hergé aangeduid als ‘de Bruegel van het beeldverhaal’ – speelt de Dulle Griet een hoofdrol, als een tegenstandster die er zelfs geen been in ziet onschuldige lappenpopjes te guillotineren.

078

De Dulle Griet behoort met de tezelfdertijd geschilderde Gevallen engelen (Brussel) en Triomf van de dood (Madrid) tot de meest Bosch-achtige voorstellingen van de schilder, die door zijn eerste biograaf ‘Pier den Drol’ werd genoemd. Niet omdat er op zijn panelen regelmatig kakkende mensen figureren, maar omdat er in bijna al zijn werk wel wat grappigs (‘drolligs’) te zien is. Geen wonder, want Pieter Bruegel – bijgenaamd de Oude, omdat hij de stamvader was van een dynastie van schilders van het Vlaamse dorpsleven – hield van het boerenbestaan: van jaarmarkten en carnavalsoptochten, van ijspret en oogsttaferelen. Wie afgaat op zijn schilderijen, ziet in hem een grappende man van het volk, een zestiende-eeuwse Urbanus, met een briljante penseelvoering en met een schare fans, die onder anderen de filmer Andrej Tarkovski (Solaris) en de dichter W.H. Auden (Musée des Beaux Arts) telt.

Omdat er zo weinig bekend is over Bruegel, hebben de kunsthistorici vrijelijk kunnen interpreteren. Hij werd achtereenvolgens gezien als een primitieve boerenschilder, een pionier van de landschapsschilderkunst, een satanisch genie, een ‘humanist met een libertijnse levensbeschouwing’, een typische Vlaming en zelfs een twintigste-eeuwer in hart en nieren. Natuurlijk werd er ook veel tegenstrijdigs over hem beweerd; zoals de kunstenaar Harold Van de Perre het samenvatte in een origineel boek over de schilder (Ziener voor alle tijden, 2007): ‘Is Bruegel een moralist of fatalist? Een optimist of cynicus? Een spotvogel of wijsgeer? Een boer of stedeling? Een folklorist of geleerde? Een regionalist of universalist? Een realist of fantast? Een vitalist of maniërist? Een humanist of misantroop? Een libertijn of sociaal bewogen man? Een politiek dissident of conformist? Een revolutionair of afstandelijke waarnemer? Een katholiek of geus? Een theïst of atheïst?’ En dat alles op basis van de 45 schilderijen die van hem zijn overgeleverd.

©

(Navolger van) Jeroen Bosch: De kruisdraging (ca 1520, Museum voor Schone Kunsten, Gent). ©

Dat zijn er overigens twintig meer dan in het geval van Jeroen Bosch, met wie hij in het begin van zijn carrière steevast vergeleken werd. Bruegel was een wonderkind, dat braakliggende terreinen in zijn schilderijen ‘opvulde’ met slimme puntjes, komma’s en streepjes; dat het licht op verschillende manieren op de sneeuw in zijn dorpsgezichten liet weerkaatsen; dat met een dun laagje temperaverf het geloogde blotebillengezicht van een blinde afbeeldde; dat toverde met felrood, vuilblauw en ‘schallend geel’. Maar hij had niet het genie van Bosch, een schilder die zijn tijd zo ver vooruit was dat we hem nog steeds niet helemaal begrijpen, zelfs al zijn we allang gewend aan la condition surrealiste. Bosch nam de religieuze standaardthema’s van zijn tijd – de Zondeval, Johannes de Doper in de wildernis, de aanbidding der koningen, de doornenkroning van Christus, de Kruisdraging, het Laatste Oordeel, de verzoeking van de heilige Antonius – en omkleedde ze in een revolutionair schetsmatige schilderstijl met krankzinnige (angst)visioenen, waarin overal monsters, karikaturen en duivels opduiken. Ruim baan voor ‘het circus Jeroen Bosch’, zoals dichter Lennaert Nijgh het omschreef in de tekst van Boudewijn de Groots Land van Maas en Waal.

Jeroen Bosch was niet alleen ‘den duvelmakere’ maar ook een satiricus en een moralist, die volgens sommigen duidelijk schatplichtig was aan de kritische prereformatorische geschriften van Erasmus. Met zijn vervreemdende landschappen, zijn hoge horizonten en zijn morbide fantasieën veroverde hij de Europese vorstenhoven van zijn tijd en beïnvloedde hij schilders als Cranach, Van Leyden, Dalí en Miró. Zoals je Bruegel kunt omschrijven als de oervader van het Vlaams expressionisme, zo mag Bosch gelden als een voorloper van het surrealisme en de fantasy in literatuur en film. Meer dan welke andere vroegmoderne kunstenaars ook hebben gezamenlijk de Lage Landen op de kaart gezet.