Bij de dood van 'het Komrij-wezen'

Zijn hele leven heeft de Vlaamse auteur Tom Lanoye geprobeerd in de voetsporen van Gerrit Komrij te treden. In een brief aan zijn held beschrijft Lanoye zijn bewondering. „Ik was je vlijtigste zeloot. Ik was verliefd op jouw durf.”

Beste Gerrit, groot idool, goede vriend,

Ik zag jou voor het eerst in Gent, begin jaren tachtig, op het eerste toppunt van je roem. Ik was een student met veel plannen en weinig geld, dat opging aan boeken, kranten en magazines. Jij prijkte op de cover van de Haagse Post, gehuld in een zijden kamerjas waarvan mijn manke geheugen me dicteert dat ze ook mauve was, en imposant. Naast jou straalde Charles. Jong en knap en heerlijk arrogant, your own private Bosie. Twee Hollandse dandy’s die met zichtbaar genoegen de geest opriepen van Oscar Wilde.

Pas later zag ik, op het achterflap van je dichtbundel Fabeldieren, de beroemde foto waarop jullie ook echt Oscar Wilde en zijn aristocratische vriend imiteerden. Thans mag dat klinken als oudmodisch nichtencabaret, wat het natuurlijk ook wás. Toentertijd betekende dat soort foto’s vooral de perfecte illustratie van jouw rol in de Nederlandstalige literatuur. Een moderniteit die zich aandient in negentiende-eeuwse kostuums. Een speels provocerende maskerade, met een keiharde kern van ernst: jij, ten voeten uit.

Jij doorbrak het dictaat van het experiment en de ‘literaire vernieuwing’ die al een tijdje waren ontaard in een nieuw keurslijf, in verdrukkende artistieke normen. Jij haalde die verstarde canon onderuit met je bewust archaïserende taal, met die ene controversiële bloemlezing van je, en met een lawine van eloquente scheldstukken, verzameld in bundels als Papieren tijgers.

Wat de Vijftigers hadden betekend voor de literatuur van hun ouders, betekende jij voor hun gevestigde Zelf. Een corrigerende schok. Tegelijk betekende jouw bloemlezing veel meer dan dat. Jij schonk ons Anna Bijns en zo vele anderen terug, plus de durf hen weer te bewonderen. Jij gooide de deuren open naar kamers die voorgoed afgesloten hadden geleken.

Je voorbeeld lokte navolging uit. Ik was je vlijtigste zeloot. Het eerste wat ik ooit publiceerde, in een tijdschrift dat ik zelf was begonnen – een prima zet om afwijzing van kopij te voorkomen – was een bewerking van de aanhef van Lord Byrons Don Juan. Ik liet me daarbij twee keer door jou inspireren. Eerst naar de inhoud. Lord Byron had in zijn ‘Dedication’ ene Bob Southey op de korrel genomen, poet laureate en vaandeldrager van de Lake Poets. Ik maakte daar Remco Campert van, als vaandeldrager van de Vijftigers, die ten strijde trokken tegen de nieuwe Lord Byron – jij. (Later zou ik ook met Remco bevriend geraken, maar uiteraard vond ik hem toen, met de zuiverheidsdrang die de student eigen is, een smerige verrader van de algehele literatuur.) Ook Herman de Coninck, Luuk Gruwez en zelfs Hugo Claus gaf ik ervan langs. (‘Oh Hugo Claus! Ofschoon ik u bewonder, / Zonder u voel ik mij veel gezonder!’) Ach, wat is opgroeien, tenzij een genocide aan vadermoorden organiseren?

Een vader was je niet. Jij was mijn held. Ook naar de vorm probeerde ik in jouw voetsporen te treden. Als protest tegen ‘het compleet leeggeschreven Experiment’ (sic) plooide ik mij, met wisselend succes, naar het metrum en het rijm van Lord Byrons Cantos. Zelfs daar, in die constructieve parodie, stond jouw voorbeeld mij voor ogen. In een sober bundeltje, uitgegeven door Cees Aarts (De Amsterdamse Cahiers, 1981), had jij acht beroemde Nederlandse gedichten botweg herschreven, van Hendrik Marsman tot Martinus Nijhoff. Het boekje heette, vanzelfsprekend, Onherstelbaar verbeterd.

Ik was verliefd op jouw durf.

Ik was geïmponeerd door jouw technische bravoure.

Aangespoord door dat interview in Haagse Post kocht ik in 1980 je gloednieuwe titels, Verwoest Arcadië en Averechts. Van de eerste hield ik zonder meer. Dat tweede is jarenlang mijn Bijbel geweest. Nergens anders vond ik een juistere, meer prikkelende analyse van ons aller seksualiteit, en in het bijzonder van de Aandoening der Griekse Beginselen. Jij bevrijdde een hele generatie nichten van de doem om nicht te zijn. In jouw gebedenboek was zelfs de auteur van Madame Bovary een homoseksueel, al viel hij nog zozeer op vrouwen. Hij was homoseksueel omdat hij geniaal was, goed schreef en deining verwekte. De aard van de seks zelf was onbelangrijk.

Die nonsensicale stelling was bevrijdend, zonder dat er barricades aan te pas hoefden te komen.

Even later zag ik jou, nog steeds in Gent en nog steeds in het begin van de jaren tachtig, voor het eerst in levenden lijve. De eeuwige rebel Guido Lauwaert had een mooi rijtjeshuis omgevormd tot een kunstzinnig hol met meerdere verdiepingen, genaamd De Bron. Het grootste zaaltje zat afgeladen vol voor jou. Ter introductie speelde actrice Greta van Langendonck piano. Ik geloof zelfs dat ze zong. In mijn herinnering duurde het eindeloos.

Toen kwam jij. Je nam waardig plaats achter het spreekgestoelte, keek de zaal in met die half spottende, half treurige hondenblik van je, en sprak het eerste woord van je lezing uit: ‘Poëzie.’ Dat ene woord duurde vijf seconden. Je zette hoog in, liet je stem een octaaf dalen, liet haar daarna onverwachts weer stijgen en toch weer dalen, en tenslotte sloot je even hoog af als toen je begon. Allemaal in één woord van drie lettergrepen.

Wie jou nooit heeft horen voorlezen, zal nooit beseffen hoe komisch, hartveroverend en indringend je dat deed. De zaal hing een uur aan je lippen en lag geregeld in een deuk. En nu pas, al schrijvend, besef ik dat het allereerste woord dat ik hoorde uit jouw mond, de kern uitmaakte van je hele bestaan. ‘Poëzie.’

Inmiddels had ik ook persoonlijk kennis met je mogen maken. In Middelburg, bij een lezing ter ere van onze gemeenschappelijke vriend Hans Warren. Ik had over zijn dichtwerk mijn dissertatie geschreven en mocht dus ook het woord voeren.

Ik herinner me twee zaken. Dat ik door de zenuwen zo razendsnel sprak dat mijn tussenkomst maar de helft van de geplande tijd in beslag nam – vijf seconden per woord zal ik nooit halen. En dat jij, ter plekke, vlak voor jouw tussenkomst, de gezwollen aankondigingstekst van het hele gebeuren genadeloos ontleedde en belachelijk maakte.

De bevoegde ambtenaar reageerde na afloop verbolgen. Tot jouw ontzetting. Dat heeft me altijd gefrappeerd. Dat de bezitter van een zo sardonische pen een zo beminnelijke en zelfs kwetsbare man bleek te zijn.

Geen van de schrijvers die ik heb leren kennen, is op zoveel vlakken zo belangrijk geweest voor mij als jij. Jij bent zelfs voor altijd verbonden met het veroveren van de grote liefde in mijn leven. Het anker van mijn bestaan, de ploegsteert van mijn existentie, mijn René – zeg maar: my own private Charles.

Ik had al lang een oogje op hem. Het omgekeerde kon niet worden gezegd. We schrijven nu eind jaren tachtig, en de locatie is Antwerpen. Hij hield van reizen, ik van schrijven, en als je die twee combineert kom je uit bij het volgende liefdescomplot. Ik zou hem in mijn nieuwe wagen naar een zonnig land vervoeren, in de hoop dat en cours du route du soleil de vonk zou overslaan, temeer omdat de nachten in een krap tentje moesten worden doorgebracht. Om ook de workaholic in mezelf te plezieren, stelde ik voor om niet naar Spanje maar naar Portugal te reizen, naar de nieuwe woning van jou en Charles. Jullie hadden me in Middelburg toch uitgenodigd? En ik kon bij jullie de drukproeven ophalen van mijn eerste roman. Goddank bestond het internet nog niet.

Mijn toekomstige lief slikte zonder achterdocht al mijn manipulaties. Als die zon maar kwam, en die vakantie.

Je ontving ons vorstelijk en bezorgd. Met veel wijn en gegrilde sardientjes, een verkwikkende duik in het zwembad, en vooral de herhaalde vraag of mijn rug het wel volhield, slapen op de grond, in zo’n tentje. Het bed dat je ons vervolgens aanbood was zo’n weldadige afwisseling dat, in mijn herinnering, mijn huwelijksgeluk die nacht begon. Het duurt voort tot de dag van vandaag. Ik heb het je meer dan eens gezegd en geschreven, Gerrit. Schertsenderwijs maar volledig naar waarheid. Portugal is het kraambed van de grootste liefde in mijn leven.

En jij was onze vroedvrouw.

Het thema van de Boekenweek luidde dit jaar ‘De vriendschap’. Als auteur van het Boekenweekgeschenk mocht ik in de Brakke Grond een avond samenstellen met mijn literaire vrienden.

Jij was de eerste die ik vroeg. Het duurde lang voor je toezegde. Ik zocht er niets achter dan jouw altijd drukke agenda. Ik schrok toen ik je die avond zag aantreden. Ik schrok nog meer bij de omhelzing. Je leek zo kwetsbaar geworden, ook letterlijk dit keer. Ik weet het aan de demon genaamd De Ouderdom.

Je las, op mijn vraag, mijn lievelingsgedicht van jou voor (‘Liefde’), als ook een stukje uit Averechts. Je leek zelf te schrikken van de ernst en de stelligheid van het fragment. Maar je monkelde ook dat het nog altijd allemaal klopte.

Op het eind vroeg Hanneke Groenteman, die de avond presenteerde, waarom ik jou tot mijn beste vrienden mocht rekenen. Ik vertelde, voor de vuist weg, in grote lijnen het bovenstaande. Ik bezong je belang als dichter, ik roemde je kwaliteiten als polemist, en ik begreep je grote ontroering niet. Ook die weet ik aan dezelfde demon. Daarna gingen we aan de drank, want het was ook nog eens de verjaardag van René. Een halve eeuw. Ook hij. De demon kent geen rust.

Een paar weken later pas kreeg ik een mailtje, beklemmend in zijn beknoptheid. Dat je na die avond eigenlijk niet meer je bed was uit geweest, dat je nu in het hospitaal lag, en dat je me nog een keer wilde zeggen hoezeer je mijn woorden op prijs had gesteld.

Ik heb je dus, zonder het te beseffen, die avond adieu gezegd, en plein public. Daar ben ik zielsblij om. Voor de rest is dit een zwarte dag. Je ging te vroeg. Ik koester de lessen die ik heb getrokken toen ik je las, ik fêteer het plezier dat ik beleefde aan je lezingen en je bezoeken aan Kaapstad, ik ben trots op het voorrecht dat ik genoot jou te mogen kennen. Maar het afscheid valt me zwaar.

Tom Lanoye