Vechtmemoires

Mijn broer was sterker in scènes. Als twaalfjarige deed hij een briljante re-enactment van Luca Brasi’s dood uit The Godfather, waarin Don Corleones krachtpatser in een verlaten bar wordt gewurgd. Hij zat aan de keukentafel, zijn handen denkbeeldig vastgepind door de gebroeders Tattaglia, zijn hoofd en nek op een onnatuurlijke hoek van elkaar. Een oog dat bijna uit zijn holte popte, een tong die tussen zijn tanden spartelde, alsof die uit zijn mond probeerde te vluchten.

Luca Brasi sleeps with the fishes.

Ik probeer te eten, zei mijn vader.

Ik stierf in lange episoden. Mijn broer vormde met zijn hand een schietpistooltje en ik moest dood neervallen. Het was ons campingspelletje, aangewakkerd door te veel bezoeken aan de Market Garden musea in Gelderland.

Ik kwam terug van het badhok en liep recht in het kruisvuur van mijn broers duim en wijsvinger, incasseerde de fictieve kogel net onder mijn middenrif, maakte nog een paar dronkenmansstappen voordat ik in slow motion op mijn knieën viel – uiteindelijk languit op de grond, piepend, kreunend, terwijl mijn ouders me vanuit de caravan zagen liggen, koffie zetten en opdronken en me daarna vroegen of ik niet weer vies was geworden.

Op de camping schoot mijn broer me neer. Ik greep naar mijn maag en zonk door mijn knieën en liet me langzaam de helling afrollen, eerst langzaam, daarna sneller en sneller tot ik met een schok tot stilstand kwam onderaan de helling, naast het weggetje dat naar de campingwinkel toeliep. Ik lag op mijn rug en uit mijn ooghoek zag ik m’n broer staan, bovenaan, naast mijn vader, weinig meer dan gestalten met de zon in hun rug, allebei met een Cornetto in hun handen.

Soms deed ik alsof ik mijn ingewanden weer in mijn maag moest duwen, soms liet ik me op de grond vallen en begon ik spastische bewegingen te maken alsof elektrische schokken door mijn lichaam joegen.

Ik had de discipline voor een langzame dood. Ik diepte het uit, rekte het op. Soms jammerde ik er pathetisch bij, ‘Mamma, mamma!’, of ‘Waarom?’. Soms deed ik het met een patserige kijk-mij-eens-niet-bang-voor-de-dood-zijn-blik. Mijn moeder schoot me ook wel eens neer.

Ik werd vanachter neergeschoten; ik zag mijn broer niet maar hoorde zijn ‘Ka-pauw!’ Mijn handen sloegen wild naar mijn rug, alsof ik een wesp of insect wilde wegjagen, naar dat plekje tussen je schouderbladen waar je nooit helemaal met je handen bij kunt, terwijl ik nog een paar passen liep en me voorover liet vallen op de harde betonnen treden naar het toiletgebouw. Ik spartelde of kreunde niet, maar speelde een zachte, onmiddellijke dood. Moeders met kinderen passeerden me, ik zag hun kuiten. Ik telde tot honderd en toen ik bij honderd was telde ik tot vijfhonderd. Ik wist niet of mijn broer me nog kon zien liggen – of dat hij al weer was weggegaan. Hoe harder de betonvloer aanvoelde, hoe meer ik me er thuis voelde. Ik was als een monnik die zuiverheid vindt in de soberheid van zijn cel. Meer dan ooit voelde ik hoe elk deel van mijn lichaam zachtjes omsloten werd door het trekken van de aarde en in de zwaartekracht vond ik een volkomen rust, een volledige lichaamloosheid.

*

Al weken zocht ik naar een casus belli en die dag had ik hem eindelijk gevonden, mijn eigen Tonkin-incident, mijn eigen Gleiwitz, simpel afgedwongen, door net zo lang mijn voeten onder zijn bureau te schuiven, tot hij ze, geïrriteerd, onherroepelijk, wegschopte. Er was eer te behalen. Jeroen was een zittenblijver, ouder, groter – zijn tien tegen mijn negen jaar. Hij droeg een oorbelletje en kwam uit zo’n familie van functionerende analfabeten die elke middag auto’s repareerden in hun voortuin. We hadden er over gesproken, dat hij irritant was, dom, dat iemand hem hoognodig op zijn plek moest zetten en ik, Lancelot, rose to the occassion.

Na afloop schoor ik als een haai door kalm water tussen de moeders op het schoolplein en dreef hem in de hoek naast het klimrek. Ik opende met een trap met de wreef op zijn bovenbeen, om te laten weten dat het menens was. De vechttechnieken van basisschoolkinderen manifesteren zich op twee manieren:

1) De trappers.

2) De trekkers.

Jeroen behoorde toe tot de tweede categorie, zijn extra jaar maakte hem zwaarder en in het voordeel als het op worstelen aankwam, maar zoals Jeroen nooit rekening hield met de mogelijkheid van de dt of met het bestaan van cijfers na de komma, zag hij niet aankomen dat hij te maken had met een gloednieuwe categorie, jij suffe motherfucker, 3) de boksers: mijn vuist was klein maar precies en met één directe, primaire opwaartse beweging introduceerde ik de kinderen van de protestants-christelijke basisschool Het Kompas de nobele kunst van de uppercut.

*

Er waren hogere niveaus. De round-house kicks van Chuck Norris en Steven Seagal. We zagen ze op onze videobanden. Oefenden in de tuin. We moesten leniger worden, wisten we. Jean Claude Van Damme, in onze lievelingsfilm Double Impact (1991, MTV Movie Award Most Desirable Man): ‘Because of my big legs and karate, I can do the split no problem.’

Het is een kwestie van zijdelings naar je tegenstander toestaan en je been zo snel vooruit te trappen, omhoog, opzij, dat je hele lichaam met de draai mee gaat. Ik oefende op het schoolplein, mensen keken toe. Ik sprong en trapte, sprong en trapte, totdat Woo-Yung Rusthoven voorbijliep en ik de bril van zijn hoofd veegde zonder zijn gezicht te raken, als de voet van god.

*

Op de heetste dag van het jaar trapte ik Michael Michaëlis, met de punt van mijn voet, als József Kiprich, in zijn kruis. Het was een trap met een sprongetje, een geoefende beweging. Ik had de doos met Calippo’s van onze leraar gekregen om uit te delen aan de rest van de klas en had bij hem getreuzeld, gedaan alsof ik niets wilde geven, net zolang totdat hij mijn Calippo uit mijn handen sloeg. Hij bleef op zijn knieën achter op het grasveld, voorover leunend, zijn hoofd bijna op de grond, zoals stenen engelen op begraafplaatsen over grafstenen waken. Meteen terug uit het ziekenhuis wist ik dat iemand het ging zeggen. Het gips zat nog vers om mijn heup. Ik wachtte er op. ‘Mankepoot’, of ‘kreupele’, of iets, wat dan ook. Uiteindelijk was het Robert Breugel, een jongen uit een boerengezin die van zijn navel tot zijn borstbeen een litteken had, omdat hij met een open hartje werd geboren. Eens per jaar gingen we met de hele klas naar hun boerderij om te zien hoe kaas werd gemaakt. Hij zei iets en ik sloeg hem met mijn krukken, links, rechts, links, rechts, als een mattenklopper legde ik mijn wraak op hem.

*

Mijn moeder stuurt me een mailtje met bijgevoegd een digitale foto van een verlanglijstje dat ik gemaakt heb voor Sinterklaas, 1992. Ze schrijft dat ze het in een fotoalbum vond.

- Leren bokshandschoenen.

- Leren boksbal voor op zoldertje.

- Plastic Tomahawk, fl 12,50.

- Blauwe M16 (niet de gele!), fl 20,00.

- Winchester geweer, fl 24,00.

- Rode zwaard van He-Man, met schede, fl 19,95.

- Legerkleding van de Dump, bij Opa & Oma.

- Opa’s luchtbuks.

- G.I. Joe Tiger Force-poppetjes ‘Doc’, ‘Tunnel Rat’, ‘Outback’ of ‘Frostbite’, fl 12,95 per stuk.

Ik weet nog dat ik de prijzen erbij verzon, of aanzienlijk lager afrondde dan de Intertoysgids deed, in de hoop dat de Sint dan meer voor me zou kopen. Opa’s luchtbuks kreeg ik nooit. Te gevaarlijk, oordeelden mijn vader, mijn moeder en iedereen die me kende.

*

De eerste keer dat ik met een pistool schoot was in een shooting range iets buiten het centrum van Las Vegas. We waren er met de bus naartoe gegaan. De schietbaan hing vol met Amerikaanse vlaggetjes en NRA-posters die het ‘right to bear arms’ kracht bijzetten. Happiness is a warm gun.

Na afloop vertelt de instructeur – een klerenkast met een Texaans accent, brede kaak, vleugje krankzinnigheid in zijn ogen, zijn gezicht ziet er uit als iets dat je voorop je bumper kunt binden zodat je er mee door sneeuw kan rijden – dat hij vrouwen maar zeker ook mannen regelmatig in huilen ziet uitbarsten als ze voor het eerst schieten. Zoveel kracht. De knal, de ontlading. In Sam Mendes’ American Beauty (1999) zegt Buddy Kane, ‘the Real Estate King’, tegen de dweperige, overspelige vrouw van de hoofdpersoon: ‘You know what I do when I feel down? I fire a gun.’

Wat opviel was hoe makkelijk het was. We mochten een doelwit uitkiezen – een grote poster met daarop een cartoon. Ik koos, heel apolitiek, een bankovervaller. Ik kreeg een half dozijn kogels en door een vlam adrenaline schoot ik. ‘Haal zachtjes de trekker over’, had de instructeur gezegd. ‘Teder’, zou Hemingway schrijven. Het papier was door het spoor kogels omgeploegd als een stuk aarde: vier in zijn borst, twee keer in zijn hoofd – precies waar ik gemikt had. Ik waande me ‘god met een afstandsbediening’ (H.J.A. Hofland).

*

Op het korfbaltoernooi sloeg ik een jongen van de Kleine Beer Montessori zo hard op zijn strottenhoofd, dat hij niet genoeg adem kreeg om het uit te kunnen schreeuwen. Na afloop van een verjaardagsfeestje bij Marcel thuis trapte ik Michael Michaëlis, opnieuw hij, van een schutting af – Michael, de eerste ADHD’er die ik kende, die zijn knieën openhaalde aan het grind onderin de ondiepe vijver van Marcels ouders. Martin Moore, een ginger, niet één maar twee koppen groter dan de rest van de klas, ging niet op mijn waarschuwingen in en zag niet hoe ik een aanloopje nam, op een kruk sprong en via de kruk op zijn nek, waarna ik over hem heen klauterde alsof we in het Cirque du Soleil zaten.

Ondertussen had ik het grootste bloempotkapsel van Heerhugowaard en de beste wipneus, en mocht ik de hoofdrol spelen in de musical in schouwburg De Schakel, ter ere van het twaalfeneenhalfjarig bestaan van onze basisschool. Ik kwam op alle feestjes en liep bij iedereen binnen zonder aan te bellen.

Mijn ouders waren de eersten van mijn klas die uit elkaar gingen – later zouden er meer volgen, als een drugskartel dat een voor een wordt opgerold. Ik voelde meteen dat ik niet moest doen alsof ik zielig was, waardoor mensen nog meer medeleven met me zouden tonen. Ik reageerde me niet af, deed niet boos of humeurig. Het zou een misvatting zijn om nu te denken dat mijn jeugdige talent voor geweld een bijproduct is van de scheiding. Dat is een ander narratief. The Squid & The Whale. The Royal Tenenbaums. Het lichaam is een natuurlijk narratief. Je krijgt haar, wordt zwaarder, breder, langer – je ouders strepen je groei op je slaapkamer muur af. Het is de aangenaam voorspelbare vooruitgang en als jongste van de twee broers weet je niet beter dan die vooruitgang te testen door te kijken hoe sterk je bent, door elk moment van de dag klaar te staan je oudere broer aan te vallen.

*

Ik mail mijn broer om hem te feliciteren. 31 jaar. Hij woont in Bukavu, Oost-Congo. Hij geeft namens het Koninkrijk der Nederlanden miljoenen uit aan een land dat zich maar niet laat heropbouwen, bouwt ziekenhuizen voor vrouwen die slachtoffer zijn geworden van massaverkrachtingen in een burgeroorlog waar geen einde van in zicht is. Hij werkt honderd uur in de week en zijn diplomatieke rang staat gelijk aan die van een drie sterren generaal. Zoals hij het vertelt moet de koningin naar hem salueren.

Hee kleine tijger,

Of ben je al een grote tijger inmiddels? Gefeliciteerd hoor. Wist je nog dat ik je vroeger altijd in elkaar sloeg? Happy days.

Als je hem mailt over belangrijke levensupdates gaan er dagen voorbij voordat hij reageert. Nu doet hij dat per omgaande:

Dudemeister,

Ik kan nu natuurlijk gaan uitleggen hoe het ECHT zat. Dat jij tot je tiende hyperactief en agressief was, en dat ik toen op karate ging en van jou totdat ik uit huis ging mijn SLAAF heb gemaakt, maar ik zeg een ding: de cola fles.

Soms nemen dingen de vorm aan van een fles. Het was een anekdote van niets. Ik weet niet meer wiens verjaardag het was – het zal die van Hugo zijn geweest, in augustus, want ik herinner het me alleen nog dat het zomer was – maar in alle herinneringen is het uiteindelijk hoogzomer. Het is misschien de laatste keer dat Hugo en ik vechten. Hij is hooguit achttien, ik vijftien. We rennen door het huis als kleine kinderen, lachend, en als Hugo me klem krijgt in de keuken, grist hij ergens een lege colafles vandaan. Nog nooit ben ik zo hard op het vlees van mijn kont geslagen, een bijtende pijn die niet even, maar minstens tien, twintig lange seconden steeds dieper in mijn vlees brandt. Ik rol over de grond, draai om mijn as als een breakdanser, schreeuwend en lachend van de pijn, Hugo lacht ook, net als mijn moeder en mijn opa die er omheen staan en nergens nog van opkijken.