Toeschrijven tekeningen aan Caravaggio niet overtuigend

Twee Italiaanse onderzoekers hebben donderdag bekendgemaakt dat ze zo’n honderd nieuwe toeschrijvingen doen aan de schilder Caravaggio (1571-1610). Maurizio Bernardelli Curuz en Adriana Conconi Fedrigolli kondigden de publicatie aan van een e-boek waarin ze hun bevindingen uiteenzetten. Het betreft voornamelijk tekeningen, die tot dusverre werden toegeschreven aan Simone Peterzano (ca. 1540 - ca. 1596). In diens atelier in Milaan bracht Caravaggio in de jaren 1584-1588 zijn leertijd door, voordat hij vertrok naar Rome.

Als de onderzoekers gelijk hebben, zou dit een vondst van ongekende omvang en importantie zijn. Maar de argumenten van Bernardelli Curuz en Conconi Fedrigolli – die overigens niet bekend staan als Caravaggio-experts en hun bevindingen in de afgelopen jaren vreemd genoeg ook nooit openbaar hebben gemaakt – lijken niet erg overtuigend.

In de eerste helft van de twintigste eeuw kwam een herwaardering van Caravaggio op. Sindsdien is een honderdtal schilderijen aan hem toegeschreven, die alle dateren uit zijn tijd in Rome en zijn rusteloze trektocht door Zuid-Italië. Uit Caravaggio’s jaren in zijn geboortestreek Lombardije is bijzonder weinig bekend.

In 1929 wees kunsthistoricus Roberto Longhi een aantal vernieuwende kunstenaars in het laat-zestiende-eeuwse Noord-Italië aan als voorbeelden bij uitstek voor Caravaggio’s dramatische chiaroscuro en realistische weergaven van de werkelijkheid. Een van deze kunstenaars was Simone Peterzano, destijds een toonaangevende schilder in Milaan. Van het grote schilderij Paulus en Barnabas in Lystra dat hij maakte voor de kerk van San Barnaba in die stad, veronderstellen Bernardelli Curuz en Conconi Fedrigolli nu dat Caravaggio zelf er, als leerling, in sommige figuren aan heeft bijgedragen.

De jonge schilder zou zijn toevoegingen dan veel later moeten hebben gedaan. Peterzano had het schilderij al in 1573 voltooid, toen Caravaggio twee jaar oud was. Even speculatief lijkt de toeschrijving van tientallen tekeningen aan Caravaggio in een collectie van ruim 1.300 bladen uit Peterzano’s atelier, nu in het museum van Castello Sforzesco in Milaan. Het lijkt voor de hand te liggen dat de meester tekeningen van de hand van zijn begaafde leerling zal hebben bewaard.

Maar voor deze toeschrijvingen gaan de twee onderzoekers uit van de veronderstelling dat iedere kunstenaar zich een persoonlijke ‘geometrische canon’ eigen maakt, een manier van weergeven van gezichten en houdingen die hij tijdens zijn leertijd verwerft en vervolgens gedurende zijn hele carrière blijft hanteren. Op grond daarvan herkennen de onderzoekers elementen in de tekeningen die lijken op motieven in latere schilderijen van Caravaggio. Zo brengen ze de expressieve kop van een gerimpelde kale man in verband met een dergelijk hoofd, maar nu van een oude dienstmeid in Caravaggio’s schilderij Judith onthoofdt Holofernes, een groot schilderij dat de schilder ruim tien jaar later in Rome maakte. Maar de opgeblazen detailfoto’s van tekeningen die voor de vergelijking soms eerst in een andere hoek moeten worden geplaatst, verraden minstens zoveel verschillen als overeenkomsten met werk van Caravaggio.