Tip voor de kopman: koester de wieltjesplakker

Hoe minder luchtweerstand, hoe sneller renners fietsen. Hoogleraar Bert Blocken deed onderzoek en heeft advies voor het Tourpeloton.

Het Tourpeloton kent talloze wielerwijsheden. Rij nooit met een wieltjesplakker naar de finish, bijvoorbeeld. Of: verspil je krachten niet door op kop van een vluchtgroep te rijden, maar blijf lekker achteraan hangen.

Wielrenner Jan Ghyselinck gaf gisteren in de vijfde etappe van de Tour de France een praktijkles wielerkunde. De Vlaamse renner van team Cofidis bleef in de slotkilometers van de rit naar Saint-Quentin op de laatste positie van de kopgroep rijden. Even later bleek dat hij zo genoeg kracht over had om met een versnelling bij zijn drie medevluchters weg te rijden. De uitvoering mislukte net: Ghyselinck werd in de laatste vijfhonderd meter ingehaald door het peloton, waarna sprinter André Greipel zijn tweede etappe op rij won.

Hoogleraar Bert Blocken kent de wielerwijsheden ook. Hij is stedenbouwfysicus, gespecialiseerd in aerodynamica. Aan de Technische Universiteit van Eindhoven doet hij onderzoek naar de invloed van gebouwen op de windstromen in een stad. Slecht geplande torenflats zorgen er soms voor dat mensen van hun fiets waaien.

In het wielrennen speelt aerodynamica ook een grote rol. Negentig procent van de weerstand die een wielrenner ondervindt als hij over de Franse wegen rijdt, wordt veroorzaakt door luchtweerstand. Aerodynamische verbeteringen zorgen dus al gauw voor een hogere snelheid. Blocken onderzocht al eens met behulp van computersimulaties de ideale aerodynamische positie van een wielrenner. De afgelopen maanden voerde hij een nieuw onderzoek uit. De Vlaamse hoogleraar wilde weten hoe de luchtweerstand zich ontwikkelt bij groepen wielrenners, hij breidde zijn model uit tot meerdere renners en sloeg aan het rekenen. Dat cijferwerk leverde een aantal verrassende inzichten op. Vier tips voor Tourrenners:

1Een wieltjesplakker hoef je niet meteen te lossen

Uit de computersimulatie van Blocken kwam naar voren dat een renner minder luchtweerstand ondervindt wanneer een tweede renner vlak achter hem rijdt. Er waren wel vermoedens dat dit effect bestond, maar het is de eerste keer dat nauwkeurig is bepaald hoeveel procent voordeel je precies hebt, zegt Blocken.

Wielrenner Wout Poels lacht als hij met de conclusie wordt geconfronteerd. „Dat zou heel goed kunnen. Ik had altijd het idee dat het makkelijker fietst met iemand achter je. Makkelijker dan in eentje.”

In de ideale situatie zorgt de tweede renner dat de eerste renner tot 2,5 procent minder luchtweerstand ondervindt, vertelt Blocken. Dat komt doordat de tweede de zuigende werking van het sluiten van de luchtstromen achter de eerste deels opheft.

Volgens de hoogleraar kunnen wieltjesplakkers, renners die zelf niet op kop gaan rijden om hun krachten te sparen, dus ook nuttig zijn. Om uit de greep van een peloton te blijven, bijvoorbeeld. Op een afstand van 10 kilometer zorgt 2,5 procent minder weerstand voor 150 meter winst, rekent Blocken voor. En er zijn veel renners die tijdens een vlucht in de laatste 100 meter toch nog werden ingehaald.

Een lepe wieltjesplakker heeft zelf, in de slipstream van de eerste renner, zo’n 30 procent minder luchtweerstand, vertelt Blocken. „Maar voor de betere sprinter in een kopgroep van twee man kan het een nieuwe tactische overweging zijn.” Die renner kan zijn vluchtmaat gebruiken om het peloton voor te blijven én met zijn eindsprint de rit te winnen. Dat klopt, zegt Wout Poels. „Maar dan moet je wel zeker weten dat je die ander kan verslaan.”

2Het laatste wiel in een kopgroep is niet de beste plek

Het is een variant op de tactiek van een wieltjesplakker in een kopgroep van twee: in een grotere vluchtgroep op de laatste plek blijven fietsen, wat Jan Ghyselinck gisteren deed op weg naar Saint-Quentin. Op kop fietsen levert de meeste luchtweerstand op en kost daardoor de meeste kracht. Op de laatste positie in een kopgroep zit je dus het best, luidt de wielerwet. Maar dat is niet zo, berekende Blocken. In een groep van zes of meer renners is de voorlaatste plek de beste positie. Ook dit komt doordat een renner achter je voor minder luchtweerstand zorgt. Een renner op de laatste plek heeft dat voordeel niet.

3Blijf in het wiel van je sprinter

Het is een veel voorkomend beeld in een massasprint: een sprinter wordt gelanceerd door een ploegmaat, en die zwaait vervolgens af. Maar als de sprintpiloot vlak achter zijn sprinter zou blijven rijden, heeft die weer tot 2,5 procent minder luchtweerstand. Op een afstand van 100 meter maakt dat 1,5 meter verschil – en veel sprints worden met een kleinere marge beslist.

Blocken zegt dat een sprintploeg zou kunnen overwegen om de sprint iets later te beginnen. Dan hoeft een van de ploeggenoten niet al zijn krachten te geven tijdens het aantrekken van de sprint, maar kan hij ook tot de finish vlak achter het wiel van zijn sprinter blijven zitten.

Tourrenner Tom Veelers had als taak zijn gisteren afgestapte sprinter Marcel Kittel te lanceren. Hij geeft aan dat deze tip moeilijk te realiseren is, omdat er altijd wel anderen het wiel van Kittel opzoeken. „En ik ben na 300 meter helemaal op. De laatste 100 meter heb ik geen kracht meer.”

4Wijk na een aflossing meer dan één meter uit

Wielrenners die samenwerken in een kopgroep, rijden om beurten een tijdje voorop. Als een renner van kop afgaat, rijdt hij vaak vlak langs het groepje naar achteren. Uit het model van wetenschapper Blocken blijkt dat de wielrenners juist dan in de meeste luchtweerstand terechtkomen. „Je kunt beter met een meter afstand je laten terugzakken dan met een halve meter.” De turbulentie die door de eerste renner wordt veroorzaakt, waait namelijk vlak langs hem naar achteren.

Blocken benadrukt dat zijn bevindingen slechts een klein onderdeel van een mogelijke tactiek zouden kunnen vormen. „Als je op plek vijf in de kopgroep fietst, moet je ook weer meer naar voren rijden om te winnen”, zegt hij. En zijn berekeningen gaan uit van een windstille situatie, op vlak terrein, waarbij de renners recht achter elkaar fietsen. Bij een straffe westenwind geldt tip 4 bijvoorbeeld niet.