Shit is uit; Kerst duurt maar drie dagen en Remco Campert is een baas.

‘Shit is aan,’ zei Emile in zichzelf. ‘YOLO.’

‘Zeker,’ antwoordde Maarten.

De jongen die ik Daan zal noemen zei niets. Het was Daan die het op zich had genomen dit verhaal daadwerkelijk op te schrijven en niet louter in een onverlaten café tegen de buurman te mompelen. Om dit te vieren koos hij zijn eigen naam, Daan, een goede, realistische naam.

Maarten en Emile, de hartsvrienden – waarom bindt die spier zich toch aan mensen – wisten overigens niets van Daans voornemen. Dat was beter zo. Straks wilden ze het nog publiceren ook.

Terwijl de hele wereld aan het rielexen was, of anders in het volle zicht van de wereld met hun liggamen aan het sexen was, zaten de drie jongens binnen, in de door hen gehuurde woning in het centrum van de stad, daarzo, tot waar de lichtgevende parelkettingen die door de stad gehangen waren net niet reikten. De Nieuwe Looiersstraat. Tegenover een garage die overdag dienst deed als pilateshok voor gebochelden in de menopauze. Net donker genoeg.

Het was het idee van Emile geweest, het oprichten van het nieuwe literaire tijdschrift. Maarten was het die het pand had gehuurd, omdat hem was verteld dat een redactieruimte cruciaal was in de beginfase van een onderneming. Omwille van de professionaliteit, was hem benadrukt. Daan had het vervolgens klaargespeeld zo weinig te verdienen dat hij er moest intrekken. En toen hij dat had gedaan, wilden Emile en Maarten niet achterblijven.

Verdomd. Nu woonden ze er alle drie, ieder een matras in een deurloze hoek. Ze stonken, vond Daan, maar na een paar dagen bedacht hij dat deze droevige geur net zo goed van hemzelf afkomstig geweest kon zijn, er was geen onderscheid meer tussen de drie, geen grens waar het ene lichaam eindigde en het andere begon.

Geld was er niet. Niet echt. Maar aan de overkant was een chique etenswinkel met een lopend buffet en kassiers. En in de buurt was een Aldi met uitstekende pap. In de kamer stond een blauwe zitbank. En een teevee met kabelaansluiting, het kon niet op. Overal stonden kartonnen dozen. Tientallen. Ze hadden ze tegen de muren gezet. Hield de kou buiten, waar ze hoorde. Verder: een rond tafeltje met een lege asbak erop. Niemand rookte. En er was de plant. Uit de nabijgelegen botanische tuin hadden ze een bijzondere plant gehaald (niemand houdt van het woord ‘stelen’) die leefde op alcohol. Ze hadden erover gelezen, gestemd en een consensus bereikt: de plant was nodig voor het blad.

Veel bezoekers die dag, weinig bewakers, een sprint tot de hoek van de straat was voldoende geweest. Nu stond de plant daar, op de vensterbank van het enige raam, treurig als er een paar dagen niet was gezopen, tevreden als de lucht van goedkope dzjin tot het plafond kwam. Dat plafond was overigens niet hoog. De kruinen van de jongens leken eraan vastgeplakt. Ooit zou het gebeuren dat iemand wegliep en zijn haar losscheurde, om hulpeloos aan het plafond te blijven hangen. Een tijdje hadden ze een huisdier gehad. Een duif. Tot het beest zo angstig was geworden dat hij de hele dag niets anders deed dan kakken. Zo kon het echt niet langer, en Emile had het raam opengezet, de duif vrijgelaten.

Het pand was hemelsblauw, tot het geld op was. De andere helft was schimmelwit.

‘Wacht,’ zei Daan, die genoeg had van alle literaire uitweidingen, ‘Welke shit?’

‘Hè?’ zei Emile.

‘Wat?’ vroeg Daan.

‘Wat vroeg je?’ zei Emile.

‘Hij vroeg zich af welke shit aan was,’ zei Maarten. ‘Dat zei je net. Dat de shit aan was. Nu vraagt hij zich af welke shit. Ik kijk zo naar buiten, en ik moet zeggen dat ik ook niet meer zo overtuigd ben. Het ziet er niet uit alsof de shit aan is. Toegegeven, daar loopt een China met een sneeuwbal. Toegegeven, daar loopt een China die bekogeld gaat worden met een sneeuwbal. Maar toch. Om nou te zeggen dat de shit aan is. Misschien is de shit wel niet aan. Uit, zogezegd.’

‘Shit is aan,’ zei Emile, en hij liep weg van het raam, naar het keukentje, volledig met tweepittig gasstel en een koelbox. ‘De beest. YOLO. Alleen weten de mensen het nog niet.’ Hij pakte drie bier uit de box en klikte 1-2-3 de dopjes op. ‘Hier.’

De jongens namen ze aan. Daan keek op het etiket, tot Maarten vroeg of het in orde was en Daan moest zeggen van wel. Maar Westfleteren 12 was het niet.

Misschien waren ze eigenlijk wel lelijk, de jongens. Dat had een meisje onlangs tegen Daan gezegd. Alle drie: lelijk. Hij was ervan geschrokken en het er intuïtief mee oneens geweest. Maar nu hij de kop van Maarten zo zag, zo zonder muts en met die rode kouneus, nee, dat was niet prettig. En hij dacht dat wanneer een van drie lelijk was, dit voor allen moest gelden, niet wetende waar hij deze kennis op baseerde, maar dat weet men van zoveel niet, dacht hij, van de eb en de vloed weet men ook niks behalve het gerucht dat het iets met de maan te maken zou hebben. En de maan scheen weer iets te maken te hebben met de menstruatie. Zo werd ieder raadsel onbegrijpelijker naarmate je er langer over nadacht.

Anyway, het was Kerst in het jaar 2011 na Christus, die hele Christus was men sowieso een beetje uit het oog verloren, het jaar waarin de jongens nog altijd niet waren doorgestoten naar de Franse avant-garde. Langzamerhand zouden ze zelfs genoegen nemen met de Nederlandse, ja, ze waren de wanhoop nabij. Zo niet Emile, die dacht dat met het eerste nummer van het literaire tijdschrift De Nieuwe Boktand de donkere tijden voorbij waren, en, als gezegd, shit aan was. ‘Shit is aan,’ zei Emile voor de zekerheid. ‘Nu zitten de mensen rond de kerstboom, zeker, maar over een paar weken, wanneer ze de opinieloze opiniebladen terzijde schuiven zien ze daar De Boktand. Dan hoeven wij niks meer te doen.’

De aanvankelijke oplage bedroeg vijfhonderd exemplaren. Te weinig om failliet te gaan, voor zover ze dat nog niet waren, genoeg om door te breken. Dat was hoe Emile het zich had voorgesteld. Door een misrekening van de drukker waren de vijfhonderd echter verdubbeld, net als de kosten. Iedere dag belde die knakker nu, of stuurde hij gebrekkig geschreven brieven. Incassobrieven. Dreigementen. Nonsens. Het blad. De Nieuwe Boktand. Daar ging het om. Ze hadden het toch maar mooi gedaan, met al die dozen om hen heen.

Soms bladerde één van hen erdoorheen. Soms allen tegelijk. Er stond poëzie in, zij het zeer slechte, maar wie zag nou het verschil, en verhalen van onder meer de drie redactieleden. Ook stonden er twee min of meer bekende schrijvers in. Toch waren er problemen, nu al. Financiële problemen. De ergste soort.

Maarten dronk zijn bier snel, hij hield niet van praten en drinken tegelijk.

‘Hebben jullie eigenlijk geen familie?’ vroeg Daan.

Maarten schudde zijn hoofd, leek hiervan te schrikken en zei toen: ‘Ja, dat wel.’

‘Goh,’ zei Daan.

‘Ik ook,’ zei Emile. ‘Gescheiden. Maar ja, dat is ook usance tegenwoordig. Hebben we dat woord wel gebruikt in het eerste nummer?’ vroeg hij ineens, geschrokken.

Daan knikte, Maarten ook.

‘En mesalliance?’ vroeg Emile, de angst zat hem nog altijd in de ogen, in het wit.

‘Ook,’ zei Daan.

‘Goddank,’ zei Emile, en hij dronk zijn flesje leeg en schoof het richting keuken, ongeveer een meter verderop.

‘Maar jullie gaan Kerst zeker ook niet met hen vieren, met de familie?’

‘Godallejeezis nee,’ zei Emile.

Maarten schudde zijn hoofd. ‘Mijn familie is vol gekken.’

‘Volgend jaar, dan hebben we wat te vieren,’ zei Emile. ‘Dan zullen we echt iets hebben. Een blad dat staat. Revolutionair enzo. Nu nog niet, nu feesten zou ongepast zijn.’

Revolutionair. Emile had het woord de laatste tijd wel vaker gebruikt. Vorige week nog, toen hij ergens in een diepe, eindeloos diepe cafénacht vol hoop vroeg of wij ook (hoezo ook?, maar dat vroeg Daan niet) vonden dat hij een revolutionair was. Maarten had zijn hoofd geschud. Emile had de rest van de avond kwaadaardig gezwegen, behalve in zijn slaap, wanneer hij altijd dingen mompelde over zijn moeder, al zouden de vrienden hem dit nooit durven te vertellen.

De kerststad van 2011 was vol neon. Iemand had met een reusachtige laserpen onduidelijke codewoorden in de hemel geschreven: ‘Winterland’. ‘Prime’. ‘Chill’. En de huizen in het centrum waren fruitautomaten die ongetwijfeld nooit de jackpot zouden uitkeren, want het zat de jongens altijd tegen. Als ze niet zo’n honger hadden zouden ze zichzelf allang op literair verantwoorde wijze hebben gesuïcideerd: de ouderwetse strop of in bad, met de aderen als ontbottende rode bloemen. Iedereen daarbuiten luisterde de Phil Spector kerstplaat, behalve zij drie, die dit ook deden, maar vloekend omdat de rechterkant van het geluid af en aan wegviel.

‘Inmiddels is vastgesteld dat shit vooralsnog niet aan is. Zullen we dan maar een kerstboom kopen?’ vroeg Daan.

Maarten, allergisch geraakt voor het woord kopen, vanwege alle associaties met een vroeger waarin dit kopen ook echt had gekund, reageerde bozig, en zei dat als ze iets moesten kopen, het toch verdomme eten moest zijn. Hij zei dat hij wilde dat de duif er nog was, die ze toentertijd Kiki hadden gedoopt, naar het meisje Kiki Zalm, maar dat had Daan aan niemand verteld, die lieve Kiki, dan zouden ze haar nu kunnen opeten.

Emile lachte. Het was een aandoenlijke giechel, die maakte dat de hele wereld van Emile hield. ‘Ik heb nog wel wat. Een beetje. Paar tientjes. Kan wel.’

‘Het idee van meisjes, warme bedden en liefde &zo hebben we opgegeven hè?’ vroeg Maarten.

‘Ja,’ zei Daan. Er waren meisjes geweest, maar niet de goede. Ergens in augustus was hij gaan vermoeden dat dit werd veroorzaakt door het feit dat de achternamen van de meisjes geen diersoorten bevatten. Kon geen toeval zijn. Deze openbaring was op het conto van Maarten te schrijven, en hoewel Maarten bekendstond om zijn geouwehoer, leek het Daan op het moment, een moment gedrenkt in whisky en turf, een zeer zinnige opmerking. Neem iemand als Jara Haas, of Kiki Zalm, had Maarten gezegd, een beroep doend op de dierenmensen die hij kende. Het waren vergissingen. Iedereen bleek op het laatste moment toch te gaan trouwen. Het was een mager jaar geweest.

‘Ja,’ zei Emile. Emile had helemaal niks. Zijn laatste vriendin was onverhoeds lesbisch geworden. Emile had er de humor niet van ingezien. Desalniettemin bleven de jongens er grappen over maken, want dat is nu eenmaal wat vrienden doen, wonden vinden, en vervolgens genoeg drinken om de wonden schoon te zeiken.

‘Ik stel een compromis voor,’ zei Maarten. ‘We nemen een kerstboom. Maar.’

‘Maar wat?’

‘Maar we nemen hem mee. Niets kopen.’

‘Diel.’ Ze, gingen naar buiten en gleden over de be-ijste wegen naar de kerstboomverkoper op het Heinekenplein, die van elke boom zei dat het de Mercedes onder de bomen was, en dat hij hem zelf ook thuis had staan. De zoon met wie hij de handel runde was lelijk en simpel. De lelijkheid had de mensen altijd al vermaakt, maar die simpelheid, kijk, daar konden ze nu wat mee.

Emile raakte met de vader aan de praat, over bomen en Mercedessen, Daan maakte een fluitend geluidje waar de zoon van in de war raakte en Maarten ging er met een boom vandoor. Een kleine Nordman.

‘Nordmannen vallen niet uit,’ zei Maarten tevreden toen hij de boom in het midden van de kamer zette.

II

Kerstavond was overleefd. Het was een dag geweest die Tom Waits of Leonard Cohen had kunnen bezingen, geen goede dag. Er was post van een uitvaartmaatschappij gekomen die nog maar eens duidelijk maakte dat het er ieder moment van kon komen. Wel was de akelige muziekcarrouselman met vakantie, het was heerlijk stil, waardoor Daan zelfs een beetje had zitten schrijven. Het was uiteraard niet goed genoeg geweest, en ze hadden het verhaal opgestookt in de kachel, maar het was tenminste even gerieflijk warm geweest.

Kerst, man, het zou blijven wat het altijd was geweest: een onbegrijpelijk feest, gevierd door rijke, dikke mensen.

De vrienden waren niet dik. Ze waren zelfs een beetje ongezond dun. Maar dat was niet erg. Binnen een jaar zouden ze het gemaakt hebben, en in een of ander grachtenpaleis gaan wonen, boven een leuk Italiaans tentje zonder muizen of muizenissen.

Woordgrappen, god, daar had Maarten behoorlijk de ziekte aan. Hij zweeg dan ook, toen Emile en Daan omstebeurt vrachtwagens becommentarieerden en voorzagen van een bedrijfsgeschiedenis op maat, hierbij geholpen door de naam op de kar, die altijd belachelijk klonk.

‘Ik vind hier geen reet aan,’ zei Maarten. ‘We kunnen ons beter vermaken, of echt wat doen.’

‘Wat dan?’ vroeg Emile terecht. ‘Echt doen?’

‘Schrijven,’ zei Maarten. Het klonk gemeend.

‘Dat we daar niet eerder aan gedacht hebben,’ zei Emile. ‘Schrijven.’

‘Ik heb geschreven.’ En Daan wees op de kachel, die alweer aan het uitdoven was.

‘Oh ja,’ zei Emile.

‘Maar meer,’ zei Maarten. ‘Iets echts.’

‘Dankjewel.’ sprak de schrijver, terloops.

‘Zo bedoelde ik het niet. Maar iets echt. Iets over ons. Niet over Kiki Zalm, Jara Haas of Maartje de Hondt.’ Maartje, die was Daan vergeten. Een ongelukkig verhaal, met alleen maar details. Een tic met het rechteroog. Te vaak het woord ‘super’. Te veel parfum. Met haar waren de cafés altijd dicht. ‘Een verhaal over ons. Over onze avonturen. Over het blad. Over het epische. Over drinken. Over sunglasses and advil, last night was mad ril.’

‘Hij heeft gelijk,’ zei Emile verslagen.

Daan knikte.

Ze besloten naar de film te gaan. Maar de bioscoop was dicht. Het was immers Kerstavond.

III

Eerste Kerstdag. Stop. Het is hier alleen en eenzaam. Stop. Al zijn we met zijn drieën. Stop. Ze stinken. Stop. Het kan zijn dat ik het ben. Stop. Ik hoop dat ik het ben. Stop. De plant begint te hangen. Stop. Waarom drinkt niemand meer tegenwoordig? Stop. Einde bericht. Zoek het maar uit.

Daan keek naar buiten, legde zijn pen neer, kerstkaarten, het was niet zijn forté, en hij keek naar de raamkozijnen, naar de plekken waar het ijs was aangekoekt, naar de lege straatjes waar geen Chinees meer liep, ongetwijfeld thuis, met de familie Mao Chinees Nieuwjaar aan het vieren.

Juist op het moment dat er een landerige agressie de lijven was ingekropen, was er een lichtpuntje. Een ingezonden brief, zonder postzegels in de bus gedaan. Kopij. Kopij voor De Nieuwe Boktand!

‘En? En?’ vroeg Maarten aan Emile, die het recht van de eerste lezing had. ‘Hoe is het? Is het goed? Het is goed hè?’

Emile bladerde door de vellen. Zette zijn hand aan zijn kin. ‘Nee. Het is slecht. Het is heel slecht. Offiuslie. Wat is dit slecht, zeg. Oei.’

Maarten nam het papier over, begon te lezen en sprak na een paar minuten hetzelfde alarmwoord. Hij reikte de vellen naar mij. ‘Jij nog?’

‘Nee, hoeft niet. Geen dag voor nog een oei.’

‘Zeker?’

‘Zeker.’

En het proza verdween in de vlammen.

Maarten liep naar het keukentje en nam een slok dzjin, liep naar Kiki en spoot een fonteintje naar haar wortels. Het deed haar duidelijk goed.

‘Hoe zou het met haar gaan, met Kiki?’ vroeg Daan.

‘De echte Kiki?’ vroeg Maarten.

‘Ja. Niet de plant.’

‘Die heeft een vriendje,’ zei Emile.

‘Dat weet ik.’

‘Wat een kutvakantie is dit,’ zei Maarten, en ze lachten, om Maartens hoofd, dat boven zijn strakgeknoopte sjaal een rood uitje leek, maar ook om wat hij zei, en hoe hij het zei, en van opluchting omdat het onderwerp Kiki Zalm was behandeld. De Haas en De Hondt kwamen even later langs, maar waren goddank kort van stof.

‘2011? Welk cijfer?’ vroeg ik, na enkele minuten.

‘Zesje,’ zei Emile.

‘Hoger,’ zei Maarten. ‘We zijn eindelijk gaan schrijven.’

‘Het loopt nog niet echt storm met de opdrachten,’ antwoordde Daan. ‘We moeten geld hebben.’

‘Hoezo?’ vroeg Emile.

‘Voor het blad.’

‘Ja. Dat wel. We lopen een beetje op onze laatste benen. Figuurlijk dan.’

‘Laten we in godsnaam figuurlijk blijven,’ beaamde Daan.

‘Het zijn tevens onze eerste benen,’ zei Maarten peinzend. Daarna tegen de anderen: ‘Ik vind 2011 wel een zeventje waard. We wonen samen. Dat is toch leuk?’

‘Leuk is een klotewoord,’ zei Emile. ‘Ik blijf bij mijn zes.’

‘Ik weet dat leuk een klotewoord is, maar stel nou dat het geen klotewoord zou zijn, en we het voor één keer konden gebruiken, zoals normale mensen, dan zou het toch leuk zijn?’

‘Nee,’ zei Emile. ‘Dit is wartaal, vriend. Je stelt me in klotetermen een vraag en die vraag mag ik alleen beantwoorden als ik doe alsof die klotetermen, die overduidelijk klote zijn, ik bedoel, dat is gewoon een feit, geen klotetermen zijn.’

‘Ok,’ zei Maarten. ‘Aangenaam dan?’

‘Ik protesteer tegen aangenaam.’ Nu was het woord aan Daan. ‘Het is stervenskoud.’ Even wilde hij voorstellen om een Boktand in het vuur te doen. Hij slikte het in. Net op tijd.

‘Ok ok. Legendarisch?’

‘Kijk, dat is een woord,’ erkende Emile. ‘Legendarisch. Ja, dat is het zeker. Legendarisch. We beleven van die dingen waar men later over zal schrijven. Emile, Daan en Maarten, woonden die ooit samen? Echt? Met een duif die Kiki Zalm heette? Terwijl ze later, alle drie op hun eigen manier zo succesvol zijn geworden? Zo zal het gaan. Al zal men ons tegen die tijd met onze achternaam aanduiden. Emile, Daan en Maarten is natuurlijk knudde.’

‘Of als afkorting. D-E-M. Dem,’ zei Maarten. ‘Zoals Cobra. Maar dan: dem.’

‘Zoals in de demt,’ zei Daan.

‘Wat?’

‘The Damned.’

‘Oh ja,’ zei Emile. ‘Prachtfilm. Charlotte Rampling. Men o men.’

‘Ja,’ zei Daan. ‘Men o men.’

‘Weet je op wie ze een beetje lijkt?’ vroeg Maarten, die de fles dzjin inmiddels op zijn schoot had staan en er soms aan slobberde. ‘Een beetje maar hè.’

‘Nee,’ zei Daan beslist.

‘Ik geef jullie een tip,’ hield Maarten vol.

‘Nee,’ zei Daan nogmaals.

‘Haar naam is die van een dier.’

‘Zak,’ Daan.

‘Verdomd,’ Emile. Hij keek naar Daan. ‘Verdomd. Sorry, man.’

‘Is niet erg. 2011. Bijna afgelopen.’

Even een vreselijke stilte, langzaam wiegende sneeuw maakte dan toch geluid, daar in de verte bewoog een rupsje, en niemand zei iets, tot Emile het woord nam en zei: ‘Een toost. Op het woord legendarisch. En op de boeken die over ons geschreven zullen worden.’

IV

Alarm. Spoedbijeenkomst. Gelukkig was iedereen altijd thuis. Tweede Kerstdag: een nieuwe dreigbrief. Er moest geld op tafel komen, snel, anders zouden ze worden uitgezet. Het was goed nieuws dat de brievenbussen nog functioneerden, zeker, en dat op een vakantiedag, wat een miraculeus land was dit toch, maar niettemin dreigde het scenario dat iedereen binnenkort zou worden verbannen naar het ouderlijk huis. Ze zagen vreselijke scènes voor zich: smekende handen, neptranen, weeë beloftes, de lucht van de etensrestjes van thuis, het woord liflafjes, de kamerjas van de vader, de beehaas van de moeder, over het wasrek in het badkamertje, nee, god nee, hier moest iets op gevonden worden.

De rest van de wereld was volgehangen met kerstballen, vreugde en de liefde van bloedverwante vreemdelingen. Het was heerlijk om met z’n drieën te zijn. Misschien was het tijd om dat eens tegen de anderen te zeggen, dacht Daan, hoe noemde men dat, delen, ja, om het met de anderen te delen. Hij zuchtte diep.

‘Waarom zucht je zo diep?’ vroeg Emile.

‘Ehm. De Boktand. Ja. Geld.’

Dat koleregeld ook altijd,’ riep Maarten en hij stond woest op zoals hij ooit in een film moest hebben gezien, het zag eruit alsof hij iemand imiteerde, en dan niet Robert De Niro, maar zo’n B-acteur. Tom Berenger ofzo. Tom Berenger. Waar zou die uithangen met Kerst? Tom Berenger ging weer zitten. Er was een nieuwe fles drank gekocht. Wodka, van het onvolprezen merk ‘Oblomov’. Maar in symboliek zag niemand wat.

‘Het is hoe de wereld werkt,’ zei Emile, ‘ware woorden,’ zei hij er zelf achteraan, wat de situatie verwarrender maakte dan nodig.

‘Een rijke vrouw. Dat moet ik hebben,’ zei Daan. ‘De Boktand, bedoel ik. Een rijke dame. En mecenasse.’

‘Was dat niet zoiets waarin we vroeger handelden?’ vroeg Emile. ‘Ten tijde van de veeooceementaliteit.’

‘Melasse,’ zei Maarten. ‘Soort stroop.’

‘Melasse,’ herhaalde Emile.

‘Jongens.’ Daan stond op, wat op de anderen een plechtige indruk maakte. Dat was zijn bedoeling tenminste. ‘Het spijt me te moeten zeggen, maar dit is knudde.’

Vragende blikken.

‘Hier zitten we, living de driem, skais de limit, het enige wat we moeten doen is een beetje kesj naar binnen hengelen. Kesjmonnie. Monnie in de benk, brood op de plenk.’ Hij maakte een knippend gebaartje met zijn vingers. ‘Meer niet. Dan kunnen we hier blijven wonen, blijven schrijven, gewoon. Doorgaan. Leven.’ Met het laatste woord ging hij zitten. In een kutroman zou staan dat hij zich liet neerploffen in zijn stoel.

‘Leven,’ zei Emile. ‘Wow. Pathetisch.’

‘Ja,’ zei Daan. ‘Sorry. Was er uit voor ik er erg in had.’

‘Hela,’ zei Maarten. ‘Kijk.’ Hij haalde een propje uit zijn broekzak, wat hij uitvouwde tot een twintigje. Het was Maarten op zijn meest magische zelf. Hij liet het briefje zien, het winterse blauw, en plotseling zagen ze in hoeveel ze om elkaar gaven, en om drank, en vooral om de combinatie van de twee, maar het was tegelijk duidelijk dat dit soort gedachten niet uitgesproken moest worden. Geen woord. Maar ze dachten hetzelfde: 2011 was een jaar geweest in de vorm van een fles, niet meer dan gepast het in stijl te eindigen. Ze kwamen omhoog, deden hun jassen aan, en veegden die van de ander schoon, zoals honden elkaar vlooien.

Op het Rembrandtplein, dat onlangs was verkozen tot het lelijkste plein van Europa, keken ze naar een jongetje dat alleen en met treurige ogen, zwijgend en met een doodse plichtsbetrachting rondjes schaatste op de recent aangelegde ijsbaan. Daarna gingen ze een bruin café in, op de hoek van vergankelijkheid en helaasheid. Er had altijd een spanningsveld bestaan tussen het fenomeen optimisme en het driemanschap van jongens, maar dit was een dieptepunt. De barman keek verschrikt op toen niet één, niet twee, maar drie mensen tegelijk binnenkwamen, een oude vrouw achterin lachte een kakellach, en alle nepschilderijen hingen scheef. In de hoek zat een zonderling de krant te lezen en zijn hoofd te schudden. Zijn hoofd was alsof met suikerwater op zijn schedel geplakt. Maarten legde onvervaard het twintigje op de toonbank en streek het glad. ‘Wat is uw goedkoopste sterke drank?’

Jenever.’

‘Heerlijk. Driemaal graag.’

Ze gingen zitten in een cabine met stootkussens. Ondertussen namen ze een voor een clandestiene slokken uit de fles Oblomov, uit de binnenzak van Emile. De klok ging door met zijn ellendige werk: aftellen tot de dood. Het begon te sneeuwen. Ook dat nog. Mensen liepen gearmd langs het café. Allemaal provocaties.

De hemel zij geprezen, ze werden snel dronken. Alles werd weer warm en vrolijk. De kakelende vrouw hield haar waffel. De zonderling las verder.

De kreet ‘Op De Nieuwe Boktand!’ werd nu afgewisseld met ‘Zet maar op de rekening!’, allebei even onzinnig natuurlijk.

Emile brabbelde wat over Kerst en zijn familie. Nog een halfuur en dan was dat hele Kerstgebeuren weer achter de rug. De zonderling hing nu over zijn krant. Hij bewoog niet meer. Misschien was hij wel dood. De kakelvrouw liep naar de toog en vroeg iets aan de barman. Een minuut later riep deze: ‘Drie hoeraatjes voor Purmerend!’ en hij werd bijgevallen door André Hazes, en de lach van de kakelvrouw.

Daan had het eveneens goed te pakken. Hij probeerde een lichte noot aan te slaan waar niemand op zat te wachten: ‘Zoals Hamlet zei: “Wat moet een mens anders zijn dan vrolijk?”’

‘Hamlet?’ vroeg Maarten. ‘Wat is jouw fukking probleem echt? Wat anders, tsja, wat dacht je van kankerdroevig?’

‘Ja,’ erkende Daan. ‘Kankerdroevig. Dat kan natuurlijk ook.’ Stilte. ‘Wat jij, Emile?’

‘Ik zat te denken: als je zo dronken bent dat je bijna niet meer kunt praten, ja, dan ben je pas echt alleen,’ zei Emile. ‘Wat zei je?’ vroeg Maarten.

‘Niks. Lama.’

‘Okee. Dankjewel, Emile.’

De zonderling begon te bewegen. Verdomd, hij leefde dus nog. Hij stond op, legde geld op de toonbank en draaide zich om. Hij keek naar de cabine van de vrienden, die verbleekten. Het was even geleden dat ze iemand hadden gesproken die niet een van de drie was. Hij kwam aangelopen nu, met vier glaasjes. De man had een enigszins wankele tred. Iemand om je om te bekommeren. ‘Is dat niet…?’ begon Maarten, maar Daan zei van niet, en Emile zei: ‘Wat? Wie?’

Met een ‘Zo, blij dat ik zit’ ging hij zitten. ‘Drie jenevertjes. Dat drinken jullie toch?’

‘Ja,’ zei Daan, enigszins verbouwereerd.

Ze schudden de handen. Er vlogen namen over tafel die meteen werden vergeten. Behalve de zijne dan.

Hij dronk de zijne, en keek naar buiten. ‘Het is me wat hè, al met al.’

‘Zeker,’ zei Daan.

‘Citeerde jij nou net Hamlet?’ vroeg de man, die een bril had met ronde glazen, en een zachte stem, vol verlegenheid.

‘Ja,’ zei Daan. ‘Excuses.’

‘Niet nodig,’ zei de man.

De anderen zeiden niets.

‘Schrijven jullie?’ vroeg de man.

‘Zeker,’ zei Maarten. ‘We hebben een literair tijdschrift. De Nieuwe Boktand. Van gehoord?’

De man glimlachte. Zijn gezicht was een beetje rood. ‘Nee. Ik kan niet zeggen dat ik het ken. Ik had ook ooit een literair tijdschrift.’ Hij nam zijn drankje in. ‘Hebben jullie veel schrijvers?’

‘Niet echt,’ zei Daan.

‘Eigenlijk geen,’ zei Emile. ‘Geen schrijvers. Geen geld. De Nieuwe Boktand verkeert in zwaar weer.’

De man glimlachte opnieuw, vertederd, zoals oude leeuwen kunnen kijken naar het falen van hun welpen. ‘Wacht even,’ zei de man en hij stond op, ging in een volgende cabine zitten, met uitzicht op neon en sneeuw. Hij zei niets.

‘Defakwasdat?’ vroeg Emile.

Maarten haalde de schouders op.

Drie minuten voor twaalf was het toen de man opstond en naar de cabine van de jongens schuifelde. Hij legde twee bierviltjes neer, en knikte.

Daan pakte ze op, keek ernaar, toen op naar de man, die naar de uitgang ging.

‘Twasdanou?’ vroeg Emile.

‘Gedichten. Kerstgedichten.’ Daan keek nogmaals naar de bierviltjes, naar de oude, hortende lettertjes. En naar buiten, maar de man was weg. ‘Van Remco Campert.’

Het was doodstil. De klok maakte geen geluid, vol plechtigheid schoof de wijzer naar de volgende dag, die geen Kerst meer in zich droeg.

‘Maar,’ zei Maarten, ‘dit is de redding van De Boktand. Offiuslie.’

Emile had tranen in zijn ogen.

‘Dit is heel goed nieuws,’ zei Daan. ‘Dit is echt, weetjewel.’

Emile zei: ‘Ik zei het. Shit is aan. De shit is echt aan.’

Toen zwaaide de deur open. Een bloedmooi meisje, zonder echtgenoot aan de arm, stapte binnen, en Daan kwam omhoog, liep naar het meisje toe, vastberadener dan ooit, zich volledig bewust van sentimentaliteit, ironie, en alle stijlmiddelen waarover redelijke schrijvers beschikken, ging tegenover haar staan, pakte haar koude hand, wreef hem warm en zei: ‘Ik moet me wel erg vergissen als uw naam niet De Jager is.’

Twee meter verderop leunde Emile richting Maarten, en zei: ‘Volgens mij, Maarten, is shit nu echt aan.’