Rokende baby's, naakte schaatsers

Als opening van een zomerserie met bijzondere reisboeken een smakelijk verslag over het dappere volkje langs de Zuiderzee.

Henry Havard: Pittoreske reis langs de dode steden van de Zuiderzee. Vertaald door Lex Wapenaar. Met nawoord van Bert Looper. Mastix Press, 240 blz. € 17,50

Ter ere van het 40-jarig jubileum van de IJsselmeervereniging verscheen een nieuwe vertaling van La Hollande Pittoresque. Voyage aux villes mortes du Zuiderzee door de geruchtmakende Franse kunstkenner Henry Havard (1838-1921). Een smakelijk reisboek, over de tocht die Havard in de zomer van 1873 samen met een zeeschildersvriend per tjalk ondernam langs de steden aan de kust van wat tegenwoordig IJsselmeer heet. Hij beschreef ze in bijzonder kleurrijke, hier en daar wrange bewoordingen.

Henry Havard verbleef jaren in Nederland. Toen de Parijzenaars in het slotstuk van de verloren Frans-Duitse oorlog in 1871 het zelfbestuur in hun stad hadden uitgeroepen was hij een van de aanvoerders van de gewapende milities geweest, wat hem na het bloedig neerslaan van de Commune een verbanning opleverde. Hij zou ons land voor haar gastvrijheid belonen met tal van werken. De stedenspiegeling Amsterdam et Venice (1877), Histoire de la Faïence de Delft (1878), Histoire de la Peinture Hollandaise (1881), La Céramique Hollandaise (1909). En dus De pittoreske reis langs de dode steden van de Zuiderzee (1874), drie jaar later vervolgd met De bedreigde grenzen. Een togt door de provinciën Friesland, Groningen, Drenthe, Overijsel, Gelderland en Limburg.

Voormalig communard Havard was een dwarse kerel, die Frans chauvinisme (‘onze taal is van alle moderne talen het duidelijkst’) en een pesthekel aan Duitsers combineerde met een vroeg naturalistische kijk op kunst, land en volk. Zijn reisdoel was ongetwijfeld om de schilderachtige schoonheid van ons vaderland in de waardering van zijn lezers op te bombarderen. Het beginnend toerisme te Volendam en Marken is stellig door hem aangeblazen, met zinsneden als ‘Hier ziet men ongekunsteld leven teruggebracht tot zijn heerlijkste eenvoud’ of ‘De dappere inwoners zijn er meer vervreemd van wat er zich in Europa af speelt dan die van Nieuw-Caledonië.’

Dat wil men zien. Havards bijzonder vlot en (dankzij de schildersvriend misschien) opmerkelijk kleurrijk geschreven reisverhaal prikkelt op vele plaatsen. Hier en daar heeft hij de toon van de Duitser C. Sicherers Plaudereien über Holland und Seine Bewoner (1870), maar Havard is in tegenstelling tot deze ouderwets romantische hapsnaptoerist een man met een moderne visie, hoe vaak hij deze ook uit het oog lijkt te verliezen.

Ik noemde Havard misschien wat overdreven een vroege naturalist. Het element race (afkomst) speelt bij hem echter zeker een rol, al voegt hij er de elementen plaats en klimaat aan toe. Het studieuze van de naturalist is bij hem evenzeer manifest, en zijn focus op het gewone volk past in het democratiserende aspect van datzelfde naturalisme.

Het volkseigen laat zich zien in haar nijverheidsvoortbrengselen. Havard zou een belangrijk emancipator worden van de eeuwenlang verwaarloosde aardewerknijverheid (faïence), zijn meubileringsgrammatica (2 delen) uit 1887 en een vierdelig meubel- en decoratiewoordenboek uit 1890 hadden voor deze takken van kunst hetzelfde effect.

Havard was er altijd op uit de mythe te ontkrachten dat de Nederlander een sub-Duitser was. Daarbij leefde in de jaren zeventig van de 19de eeuw gerede angst dat Duitsland ons land met geweld zou annexeren. Het liefst zag hij de cultuur hier te lande van Duitse smetten vrij. Mooi. Befaamd natuurwandelaar J. Craandijk schreef in een kritische recensie van Havards De bedreigde grenzen: ‘Hij had in Delfzijl bij een uitdrager een aantal porseleinen beeldjes van Duitschen oorsprong ontdekt, die hij beschrijft met een uitdrukking die de vertaalster uit jonkvrouwelijk instinct onvertaald heeft gelaten.’

Wie Havards vertellerskarakter probeert te reconstrueren ziet het beeld gaandeweg bonter worden. Een man van overtuiging en kennis, dwars, opvliegend, en zeker niet zonder humor. Over de Hindelooper rokers meldt hij bij voorbeeld: ‘Nauwelijks door de moederborst gespeend hebben zij al een pijp in de mond, het is zelfs niet geheel zeker dat ze er zo lang mee wachten.’

Overdrijven is een vak, en Havard beheerst het: de Friese jonge vrouwen trekken volgens hem bij het schaatsen zo ongeveer alle kleren uit. Hilarisch ook is de scène over de (vergeefse) moeite die hij zich getroost een paard en wagen te huren voor de tocht van Staveren naar Molkwerum, het Venetië van het Noorden. Eenmaal te voet aangekomen maakt hij geërgerd korte metten met de overleveringen omtrent dit labyrintische vissersplaatsje: hij overziet het in een half uur.

Havards Pittoreske reis langs de dode steden van de Zuiderzee heeft vanaf haar verschijning veel, vaak positieve aandacht gekregen. Tal van contemporaine (maar ook latere) letterkundigen bespraken het of verwezen er naar. In Friesland echter heeft het nooit lekker gelegen. Tekenend zijn de bezwaren tegen Havard die ik nog in een artikel uit maart 1939 in het Nieuwsblad van Friesland vond. Uiteraard struikelt men over de Molkwerum-passage (‘zo primitief was het openbaar vervoer rond Staveren in 1873 niet geregeld!’) en de Hindelooper pijprokertjes (‘Henry, Henry, dit is der wer fier by troch!’).

Verontwaardigd raakt de schrijver van dit stuk pas echt door de volgende passage uit de Pittoreske reis: ‘Geminacht door de stedelingen, niet gekend door drievierde der bevolking, vindt de Friesche taal nog een wijkplaats in enkele afgelegen of achterlijk gebleven gedeelten van het land, en gewis zal zij binnenkort geheel opgehouden hebben te bestaan. Haar welluidendheid en sierlijkheid zullen niet in staat zijn haar van den ondergang te redden.’

Dat had intussen toch anders uitgepakt. In 1927 had jongerenorganisatie ‘De Upstalbeam’ een Groot-Friesch Congres georganiseerd, ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van het Friesch Genootschap voor Geschied-, Oudheid- en Taalkunde. Een spreker zei – na aanhaling uit Havard – dat alleen dit congres zelf al diens ondergangsprofetie logenstrafte. De voormalig communard uit Parijs heeft zijn hoef diep in de Friese aarde gedrukt.

Tenslotte zijn er nog de ‘dode steden’ uit de titel van de Pittoreske reis. Zo iets lees je als Fries natuurlijk niet graag over de bevolkingscentra in het Heitelân. We hoeven de Parijse schrijver van Amsterdam et Venise misschien niet kwalijk te nemen dat het leven in stadjes als Lemmer, Harlingen of Leeuwarden hem in 1873 wat minder levendig toescheen, ook in het licht van de historische grootsheid in de Hanze-tijd. Henry Havard vroeg zich af waarom de steden hun bloei niet hadden bewaard en hij komt tot een interessante verklaring.

We denken aan het Europa van onze eigen dagen als we lezen: ‘De weelde en de rijkdom had de inwoners der Friese steden achteloos en blind gemaakt voor achteruitgang, tot het te laat was.’

Aan ‘La Hollande Pittoresque’ worden twee tentoonstellingen gewijd. In het Westfries Museum zijn van 14/7 t/m 11/11 schilderijen uit de tijd van Henry Havard te zien. (www.wfm.nl) In het Zuiderzeemuseum is tussen 13/10 en 31/12 de tentoonstelling ‘Reis rondom de Zuiderzee’ te zien (www.zuiderzeemuseum.nl).