Parsifal bij nader inzien: werkelijke schoonheid

Prachtig was het, vanaf de eerste maat. Het Koninklijk Concertgebouworkest speelde deze maand acht keer Wagners Parsifal in de bak bij De Nederlandse Opera, zondag volgt de laatste voorstelling in de reeks. Het Concertgebouworkest speelt relatief weinig opera, en voor dirigent Iván Fischer geldt dat in nog veel sterkere mate. Eens in de vijf jaar, als het meezit, en een Wagner-opera dirigeerde hij nog nooit. En gek, maar dat hoorde je bij de première, nu ruim drie weken terug. Binnen- en buitenlandse critici waren het opvallend oneens, velen wrongen zich in bochten om een onbestemd gevoel te verwoorden. Fischer doopte zijn neus in Wagner, maar meer niet, schreef er een. „Een wegwijzende duiding van de partituur ontbrak”, vond de Frankfurter Allgemeine Zeitung.

Het waarheidshoudend cliché is dat elk toporkest ook een eigen klanksignatuur heeft. „Don’t disturb the orchestra, but control”, zei chef-dirigent Mariss Jansons vorige maand nog tijdens een dirigentenmasterclass. Het maakte nieuwsgierig naar de ontwikkeling van Iván Fischer en het KCO tijdens de reeks voorstellingen van Parsifal.

En inderdaad bleek de indruk gisteravond een totaal andere dan bij de première. De kamermuzikale helderheid en de fantastische zangerscast, ja, die waren er nog. Maar het onbevredigde gevoel van afstandelijkheid en van een al te afgeroomde klank – dat was verdwenen. Het had plaatsgemaakt voor meer bloed en gloed, meer stuwing, meer reliëf in de fraseringen. Meteen al in de prelude en het orkestrale tussenspel halverwege de eerste akte bereikten Fischer en het KCO een diep menselijke, werkelijk ontroerende klankschoonheid. Het begin van akte twee: feller, vuriger. En ook de derde akte klonk rijper, met gewelfdere fraseringen.

Zo zie je; zo’n eerste indruk zegt lang niet alles. Maar voor een recensent is de eerste indruk helaas meestal de enige.

Mischa Spel