Niemand bleef gespaard voor Komrijs tirades

Gerrit Komrij was actief in vele literaire genres. Hij schreef poëzie en groeide als bloemlezer uit tot een autoriteit. De polemist Komrij joeg iedereen tegen zich in het harnas, maar er werd stiekem ook hard om zijn stukken gelachen. Van het toneel hield Komrij vanwege het pathetische en het grote gebaar.

Met Gerrit Komrij als polemist maakte ik voor het eerst kennis in het midden van de jaren zeventig, toen deze krant hem aanstelde als tv-recensent. Hij muntte de term ‘treurbuis’ en in zijn venijnige maar altijd geestige en briljant geschreven columns maakte hij die diskwalificatie volledig waar. Hij behoorde tot de eersten die openlijk kritiek durfde te leveren op het populistische gezwatel dat er in Hilversum werd geproduceerd. Geen publiekslieveling werd door hem gespaard, zoals valt na te lezen in de bundel Horen, zien en zwijgen. Vreugdetranen over de treurbuis. TV-kritieken. Over Albert Mol. „Lachebekje. Oud-balletdanser die aan de kost komt door schuine mopjes te vertellen, die Martine Bijl (zie aldaar) doen gieren.” Monique van de Ven. „Filmsterretje, met de erotische aantrekkelijkheid van een dodo en het acteertalent van een nijlpaard.” Vader Abraham. „Zanger. Weeë liederen, valse kop, wraakzuchtige inborst. Volksheld dus.”

Het was meer dan zelfs de lezers van het liberale NRC Handelsblad konden verdragen, getuige de stroom aan woedende ingezonden brieven waarin het ontslag van de verbale vandaal werd geëist, zonder dat daar overigens gehoor aan werd gegeven. Na zijn jaar als treurbuiscriticus bleef Komrij columns schrijven voor NRC Handelsblad en andere bladen, waarvan er vele in al dan niet bewerkte vorm zijn opgenomen in bundels als Papieren Tijgers (1978), Dit helse moeras (1983), De gelukkige schizo (1985), Humeuren en temperamenten (1989), Pek en zwavel, polemieken en essays, een keuze (1997) en Gouden woorden (2005).

Wat een genot om die supergeestige, wrange scheldstukken weer door te bladeren. In Dit helse moeras herlas ik in zijn polemieken van begin jaren 80 tegen „de onwelriekende gleuvenbrigade”, zoals hij feministische schrijfsters betitelde. Ik herinnerde me de woede die hij er zich mee op de hals haalde, maar ook het instemmende gegiechel dat in sommige vrouwencafés opklonk. Komrij spaarde niemand: politici, columnisten, bejubelde schrijvers, van Ida Gerhardt tot Harry Mulisch kregen er even duchtig van langs als collega-dichter Huub Oosterhuis („de copywriter van de Firma Christus & Co”).

Er is Komrij als polemist van alles verweten: kwaadaardige meligheid, seksisme, elitarisme en zelfs racisme. Dat laatste pikte hij niet. Toen hem in 1990 door taalwetenschapper Teun van Dijk in de schoenen werd geschoven dat hij onder het pseudoniem Mohammed Rasoel het anti-islamitische pamflet De ondergang van Nederland had geschreven, reageerde hij furieus.

Komrij is tot zijn laatste snik, via blogs en optredens doorgegaan met polemiseren tegen alles wat hij als onzuiver beschouwde. „Ik weet niet wat rechts of links is. Ik voel me niet vervreemd of verscheurd . Ik aanvaard de versplintering van wereldbeelden als een godsgeschenk”, aldus Komrij in De gelukkige schizo. Een onthechte maar met hartstocht verdedigde positie waaraan we onze geesten kunnen blijven scherpen.

Elsbeth Etty