Liefde

Ze liggen op elkaar, schurft op eczeem.

Je hoort de schilfers knappen, roos stuift op.

Hun schedels glimmen als een diadeem.

Ze liefkoost teder zijn gezwollen knop.

Zijn pink verdwijnt in een abces van bloed.

Ze kronkelt, uit haar mond springt slijm. Een blaas

Ontploft, zijn krop wordt blauwer. Hij vat moed.

Hij rolt haar op haar rug. Hij is de baas.

Dan gaan zijn sleetse lendenen tekeer.

Het is een machtig knarsen. Het gesop

Van kwijl in etter kent geen grenzen meer.

Zij kotst. Gods wonder in een notedop.

Uit: De os op de klokketoren (1981)