Kort huwelijk met de toneelwereld

In het begin van de jaren tachtig werd Gerrit Komrij verliefd op de wereld van het toneel. Hij bezocht, met partner Charles Hofman aan zijn zijde, veelvuldig toneelpremières. Hij hield, naar eigen zeggen, van het „oncalvinistische” van het theater, van „de grote gebaren, de opera en de pathetiek”. In die tijd ontwikkelde hij zich tot de nieuwe, vaak briljante Shakespeare-vertaler, de gedroomde opvolger van de negentiende-eeuwer L.E.J. Burgersdijk. Komrij vertaalde met flair en branie. Hij was niet bang voor opvallend hedendaags Nederlands.

De belangrijke repertoiregezelschappen speelden Komrijs vertaling Hamlet, Romeo en Julia, Richard II, Richard III, De koopman van Venetië, Othello en Een midzomernachtdroom. Het was de bedoeling dat Komrij alle Shakespeares zou vertalen, maar daar is het niet van gekomen. Zijn vertaalwerk werd niet door iedereen op waarde geschat. Frans Kellendonk verweet in zijn essay De veren van de zwaan (1987) zijn „gebrek aan kennis” van het Engels. „Het zijn vertalingen die prachtig klinken – als je niet echt luistert”, aldus Kellendonk. Toch was de grote verrassing voor zowel regisseurs, acteurs als publiek dat Shakespeares verzen fris, sprankelend en levendig klonken.

Aangemoedigd door dit succes zette Komrij zich, op verzoek van regisseur Gerardjan Rijnders, aan het schrijven eigen toneelwerk. Op zaterdagavond 18 december 1982 ging Het chemisch huwelijk in het Casino van Den Bosch in première bij het Zuidelijk Toneel Globe. De auteur kreeg een ovationeel applaus, de recensies waren lovend. „Subliem literair toneel over de volmaakte liefde”, schreef deze krant. Komrij zorgde met Het chemisch huwelijk voor toneelgeschiedenis. Het stuk, geïnspireerd door Die Walhverwandschaften van Goethe, was volmaakt classicistisch van opbouw en versvorm. De alexandrijnen klonken en fonkelden. In jaren van vernieuwingsdrift was dat uniek. Komrij werd binnengehaald als de belangrijkste Nederlandse toneelschrijver.

Het tweede stuk, De Redders (1984), kreeg veel kritiek. Het werd „te retorisch” bevonden en de plot te mager. Opeens was Komrij uit de gratie in de toneelwereld. Het derde toneelstuk, getiteld De koning van Portugal (1989), werd geweigerd en kreeg alleen in het kleinere circuit enkele uitvoeringen. Toneelgroep Oostpool wees in 2006 een monoloog van Komrij af, bestemd voor een voorstelling over de Belgische zanger Jacques Brel. De tekst had, volgens het gezelschap, „niets met Brel te maken”.

Ondertussen had Komrij het toneel de rug toegekeerd, of eigenlijk moeten we het omdraaien: het toneel heeft hem de rug toegekeerd. Komrij betreurde dat, het voelde voor hem als ernstig verraad. Zo verwoordde hij het eens op een literaire avond tijdens Poetry International in Rotterdam, die was gewijd aan Nederlandse schrijvers en het toneel: „De Nederlandse toneelkunst is niets anders dan een egocentrisch, knellend keurslijf.” Komrij en de toneelliefde waren voorbij.