Kamp Jamam

Een tijdje terug stond er een student van Artsen Zonder Grenzen voor de deur, hij trof me in een moment van zwakte. Na een verhandeling over de toestand – want zo mochten we het echt wel noemen – in Zuid-Soedan zette ik mijn handtekening. Voor 7 euro per maand was ik donateur en kreeg ik

Een tijdje terug stond er een student van Artsen Zonder Grenzen voor de deur, hij trof me in een moment van zwakte. Na een verhandeling over de toestand – want zo mochten we het echt wel noemen – in Zuid-Soedan zette ik mijn handtekening. Voor 7 euro per maand was ik donateur en kreeg ik als klap op de vuurpijl vier keer per jaar het blad Hulppost.

Ik dacht: ik bel meneer Van Roosmalen en breng ‘m op de hoogte

Over Zuid-Soedan heb ik me daarna niet meer drukgemaakt, ik had mijn bijdrage geleverd. En dat was – ik citeer de werkstudent even – ‘beslist geen druppel op de gloeiende plaat, al is dat in dit geval een wat rare uitdrukking’.

Gistermorgen, de zon scheen, ik zat met een kopje koffie op het miniterrasje van Broodje Popov aan de Van Woustraat, belde Melanie. Geen idee wie dat was. Nou ze was dus in vaste dienst bij Artsen Zonder Grenzen, en daar waren ze geheel tegen de gewoonte in begonnen met het bellen van de donateurs, mensen van wie ze wisten dat ze het hart op de goede plaats hadden, mensen zoals ik dus.

„We luiden de noodklok. Zuid-Soedan…, ik hoef het u niet uit te leggen, dan weet u het wel…”

Ik wist het even helemaal niet qua Zuid-Soedan en vroeg wat er aan de hand was.

„Nou, verschrikkelijk…”, zei Melanie. „De toestand in kamp Jamam is sinds de enorme regens dus mensonterend en catastrofaal.”

Daarna: „Ik dacht: ik bel meneer Van Roosmalen en breng ’m op de hoogte.”

Er volgde een diepe zucht en daarna een opsomming:

- De boel was overstroomd.

- De tenten stonden blank.

- Kinderen liepen in nat ondergoed door het kamp.

- Het aantal malariagevallen nam toe, vorige week weer 376 erbij.

- Iedereen was aan de diarree of had een ooginfectie, dus er moest echt iets aan de hygiëne gedaan worden. En zo kon ze dus nog wel even doorgaan, maar ze wilde niet mijn hele ochtend verpesten, want ze besefte ook wel dat dit geen leuke berichten voor meneer Van Roosmalen waren.

Na de stok kwam de honing.

Ik had al ontzettend veel voor de mensen in kamp Jamam gedaan. Na de eerste afschrijving hadden ze meteen water ingeslagen en naar het kamp gebracht, want schoon drinkwater was het allerbelangrijkste. Maar ja, je wilt meer. De diarree stoppen bijvoorbeeld, maar je kunt een dubbeltje maar een keer uitgeven. Het zou heel erg helpen als ik mijn bijdrage zou verhogen tot 11 euro per maand. Dat was twee kopjes koffie, maar dan was al mijn eerdere hulp niet voor niets geweest.

Ik ging meteen akkoord.

Daar had Melanie al wel een klein beetje op gehoopt, zei ze eerlijk.

„Het merendeel van onze donateurs is zeer betrokken. Ik voer echt heel fijne gesprekken. Bent u zelf ook arts?”

De vraag verraste me, misschien dat daarom ‘nog niet’ zei, want dat sloeg natuurlijk nergens op.

Nou fijn, ze ging me nog meer op de hoogte houden. Als het in kamp Jamam onverhoopt weer mis ging trok ze op tijd aan de bel. Beloofd! En verder maakte ze me erop attent dat ze van Artsen Zonder Grenzen op nog 28 locaties wereldwijd actief waren. „De situatie is zo dat er eigenlijk iedere dag een plek bijkomt.”

Kon ze me ook van op de hoogte houden.

Dat hoefde dan weer niet.

Voorlopig had ik even genoeg aan kamp Jamam.