Horen, zien en zwijgen

Gerrit Komrij schreef in 1976 een jaar dagelijks over televisie in NRC Handelsblad, onder de titel ‘Horen, zien en zwijgen’. „Twaalf maanden bakkeleien met de treurbuis”, zei hij over zijn tv-column.

Ik weet, lezer, over de laatste televisie-avond geen zinnig woord te zeggen.

Niets.

Hoezeer ik er ook mijn best voor heb gedaan, het ging niet.

Ik heb eerst, om de gierende leegte die door het programma-aanbod in mijn hoofd was ontstaan te bestrijden, maar eens stevig gesoupeerd. Er stond al geruime tijd een ossetaartsoep te zinderen op het gas; ik schepte mezelf drie borden vol. ’t Was geen hospitaalsoep – er dreef zo’n keur aan vette ogen op, dat een brillewinkel er prompt jaloers van was geworden. En ook was ze niet getrokken van een gevierendeeld en door Simon de Wit gedistribueerd achtereinde van een Nieuwzeelandse batterijos, nee, ik had een waarachtig aardgebonden staart genomen, een eerlijke scharrelstaart.

Mijn buik was vol, maar mijn hoofd bleef leeg.

Ik rende daarop naar de zolder en bleef er een half uur lang met mijn tenen aan een van de balken hangen, met mijn hoofd rechtstandig neerwaarts, om Nieuw-Zeeland toch nog een plezier te doen.

Mijn hoofd werd donkerrood, maar bleef ook leeg.

Ik liep naar beneden, at opnieuw vijf borden van mijn landelijke soep, strompelde weer naar de zolder en bleef daar anderhalf uur onbeweeglijk op mijn kop aan de balken hangen.

Mijn hoofd werd donkerrood, vervolgens paars, maar bleef leeg.

Met mijn laatste krachten sloop ik weer naar beneden en zocht vertwijfeld of zich niet tóch een afdruk van enig programma in een uithoek van mijn schedeldak had genesteld.

Leeg.

Ik heb daarop vierentwintig suikerklontjes genomen, toen twee cocaïnepillen in mijn oren gestoken en me ten slotte met een roestige naald volgespoten met driekwart liter Algerijnse wijn, maar ik wist geen zinnig woord te bedenken. Wel zag mijn hoofd intussen groen en terracotta en okergeel.

Het is nu diep in de nacht, uren later, en er komen zowaar wat zinnen door mijn hoofd spoken, flarden waarvan de herkomst mij onduidelijk is. „Een kanten sluier met zilvergebloemte doorweven, die aan het kapje was vastgehecht, hing glanzig en luchtig over hals en schouders. Haar kleed, van zwart fluweel, was lang en ruim, met wit dons omzoomd, en hing van voren open, opdat het prachtige onderkleed van wit zilverlaken niet gans onopgemerkt gedragen zou worden.”

En daar tussendoor dringen zich, terwijl buiten de nacht overgaat in onbestemde grauwheid, dichtregels op over de witte waterlelie en de zachte krachten die zullen winnen en het mezennestje dat is uitgebroken.

Maar verder niets.

Gerrit Komrij

In 1977 verschenen de gebundelde tv-columns van Gerrit Komrij bij uitgeverij Synopsis onder de titel ‘Horen, Zien en Zwijgen’.„Ik geniet altijd dubbelop: eerst van het tv-programma, en de volgende dag van de vernietigende kritiek daarop van Gerrit Komrij”, schreef Nico Scheepmaker, zelf tv-criticus voor een aantal regionale kranten, daarover in Vrij Nederland.