Hard gewerkt, en dankzij de bijzondere situatie veel bereikt

Deze Tweede Kamer heeft er 750 dagen gezeten. Het minderheidskabinet moest vaker dan anders wisselende meerderheden zoeken. Dat betekende meer invloed voor het parlement. „Dit was de machtigste Kamer in vijftig jaar.” De vraag is nu: houdt de Kamer vast aan die toegenomen macht? Of laat ze zich weer dresseren als er na de verkiezingen opnieuw een meerderheidskabinet aantreedt?

Een beetje kort was het wel, de zittingsduur van dit parlement. „We begonnen net een beetje op stoom te komen, en toen klapte de boel alweer”, zei D66-Kamerlid Kees Verhoeven gisteren op de jaarlijkse Binnenhof-barbecue.

Gisteren was feitelijk de laatste dag van deze Tweede Kamer, die aantrad op 17 juni 2010. In september komen de parlementariërs nog drie keer bijeen – maar veel om het lijf zal het niet meer hebben. Na de verkiezingen van 12 september is een nieuwe Tweede Kamer aan zet.

Hoe zal deze Tweede Kamer de geschiedenis ingaan? Er was volop spektakel: felle debatten over een verbod op onverdoofd slachten, emotionele discussies over een Friese Afghaanse (Sahar) en een Limburgse Angolees (Mauro), een epische clash tussen de premier en zijn gedoogpartner („Doe even normaal, man!”). Er vond een parlementaire enquête plaats naar de kredietcrisis (commissie-De Wit). En er was een parlementair unicum: voor het eerst sinds 1918 vergaderde de Kamer op een zaterdag.

Toch zullen de 750 dagen van deze Kamer ons vooral bijblijven vanwege de bijzondere verhoudingen: er zat een minderheidskabinet, dat afhankelijk was van wisselende meerderheden om zijn plannen erdoor te krijgen.

In het eerste jaar was er nogal wat scepsis over de „uitgestoken hand” van premier Rutte. Zodra het ging over kwesties die waren dichtgetimmerd in het regeerakkoord – cultuurbezuinigingen, kortingen op het speciaal onderwijs, afschaffen van het persoonsgebonden budget – was er geen millimeter ruimte voor de oppositie. Maar naarmate de coalitiepartijen elkaar minder stevig vasthielden, vond de Kamer steeds meer ruimte voor haar eigen wensen.

Het gevolg: meer dualisme, en dus meer invloed voor het parlement. Kamerleden – van coalitie én oppositie – zagen hun zelfvertrouwen de afgelopen tijd groeien. „Dit was de machtigste Tweede Kamer in vijftig jaar”, zegt vertrekkend Kamerlid Ger Koopmans (CDA). „Onder de kabinetten-Balkenende mocht ik blij zijn als ik af en toe eens langs kon komen bij een bewindspersoon. Nu zat minister Piet Hein Donner gewoon met een hoge ambtenaar bij mij op de kamer om steun te vragen voor zijn plannen.”

Ook andere Kamerleden beginnen meteen over de ruimte die ze kregen, en namen, om eigen plannetjes te realiseren. Lea Bouwmeester (PvdA) scherpte de wetgeving rond kansspelen aan – tegen de zin van staatssecretaris Teeven (VVD) en met steun van diens coalitiepartner CDA. Ronald van Raak (SP) kreeg brede steun in de Kamer voor een wetsvoorstel om klokkenluiders bij de overheid beter te beschermen. „Dat was nooit gelukt onder een gewoon meerderheidskabinet. Dan houden partijen elkaar ook aan afspraken die niet in het regeerakkoord geregeld zijn.”

De ultieme uiting van dat herwonnen zelfvertrouwen was zonder twijfel het Lenteakkoord. Het was de Kamer die het voortouw nam bij de begrotingsdeal die volgde op de val van het kabinet, eind april. Het beeld vertelde het verhaal: minister Jan Kees de Jager (Financiën, CDA) die twee dagen door het Kamergebouw struinde, op zoek naar steun van de oppositie.

Op een ander vlak werd juist pijnlijk duidelijk hoe beperkt de rol van de Kamer is: Europa. Iedere keer als de eurocrisis tijdens een nachtelijk beraad in Brussel tot een climax kwam, keek het nationale parlement machteloos toe. Waarschuwingen van tevoren, boosheid achteraf – het hielp allemaal geen fluit. Als de financiële markten bloed roken, kon het kabinet niets anders doen dan in Brussel akkoord gaan met verregaande maatregelen – of de Kamer dat nou wilde of niet.

Ook in het bepalen van de maatschappelijke agenda was de Kamer nauwelijks leidend. Een voorbeeld. In september vorig jaar verscheen een parlementair onderzoek naar tijdelijke arbeidsmigratie uit Oost- en Midden-Europa. De commissie, onder leiding van CDA’er Ger Koopmans, had gedegen werk afgeleverd: 117 pagina’s netjes beargumenteerde pro’s en contra’s. Maar het rapport deed vrijwel niets: geen boeiend Kamerdebat, nauwelijks discussie in de kranten.

Vier maanden later opende de PVV een ‘Polenmeldpunt’ op haar website. En hup, daar was alsnog het verhitte maatschappelijke debat.

Wat verfrissend was ten opzichte van vroeger: als partijen compromissen sloten, kwamen ze daar gewoon voor uit. Toen Kamerlid Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD) haar verzet tegen de weigerambtenaar moest staken om de orthodox-christelijke SGP te vriend te houden, verzon ze geen smoesjes. Ze was tegen, maar stemde vóór: dat was nu eenmaal de politieke realiteit. Je kunt dat slap vinden, en hypocriet – maar het is wel eerlijk.

De vraag is nu: smaakt de afgelopen twee jaar naar meer? Of laat de Tweede Kamer zich weer dresseren als er na de verkiezingen een klassiek meerderheidskabinet aantreedt met een op alle fronten afgetikt regeerakkoord? SP’er Van Raak denkt van niet. „We zitten midden in een cultuurverandering. En die kun je, in tegenstelling tot een structuurverandering, niet zomaar terugdraaien.”

En misschien dwingt de economische crisis het volgende kabinet ook tot soepelheid. Wie zegt dat de politieke leiders dit najaar de tijd hebben om maandenlang te onderhandelen over punten en komma’s?