Godbewaarme

Het jaar 1976 was belangrijk voor mij. Het was het jaar dat ik besloot NRC Handelsblad dagelijks te gaan lezen.

Vanaf 19 januari van dat jaar publiceerde deze krant een jaar lang elke dag een tv-recensie van Gerrit Komrij. Dat was genieten. Het werd „twaalf maanden bakkeleien met de treurbuis”, zoals hij het zelf noemde. Hilversum kraakte in zijn voegen, geen reputatie bleef ongeknakt.

Veel van de mensen over wie hij schreef zijn nu vergeten, ze leven alleen nog voort in de beschrijvingen van Komrij.

Ik zie Chriet Titulaer, de baardige ruimtevaartcommentator, weer helemaal voor me in deze alinea: „Ook ditmaal bewees hij dat de ruimtevaart zich op padvindersniveau beweegt door middel van drie spraakgebreken. Ten eerste heeft hij het altijd over de planeet Mors, ten tweede slist hij als de paradijsslang en ten derde spreekt hij Engels zoals je het sedert Oe Thant niet meer hebt gehoord. How does it feel to sit here? wordt bij hem, fonetisch weergegeven: Hou duz it fiel toe zit chier? en als hij een Amerikaan vraagt of hij denkt dat een krater op een foto een doorsnede van vijftien meter heeft, horen we: Joe zink det it is a kreter of fiftien mieters on dis wotograw?”

Toenmalig tv-criticus Nico Scheepmaker, zelf een mild beschouwer, schreef: „Ik zelf geniet altijd dubbelop: eerst van het tv-programma, en de volgende dag van de vernietigende kritiek erop van Gerrit Komrij.”

Wat bezielde hem als prominent literator om zich met een banaal medium als de tv bezig te houden? „De beste manier om ons van de tv te bevrijden is haar belachelijk te maken”, schreef hij. Tegen hoofdredacteur André Spoor zei hij dat het hem wel spannend leek een jaar lang ‘als een marsmannetje’ voor de tv te zitten.

Daarna keerde hij weer terug naar zijn wekelijkse column ‘Een en ander’ die hij in 1973 was begonnen. Die op woensdag verschijnende stukken waren een gebeurtenis om naar uit te kijken: briljant geschreven, geestig, vaak polemisch. Vooral toen hij ze later in bundels thematisch ordende, merkte je dat het eerder mini-essays dan columns waren: ze hebben meer diepgang dan de gemiddelde column. Deze ‘columns’ vormen voor mij nog altijd het hoogtepunt van zijn veelzijdige oeuvre.

Er waren dagen dat hij genoeg kreeg van die columnschrijverij, bekende hij in een column op 20 juni 1990. Maar bijtijds merkte hij „hoezeer ik er aan gehecht ben gelezen te worden. Ik ben niet iemand die graag op een zolderkamer experimentele romans wil zitten schrijven, die vervolgens drie lezers trekken. Het idee onmiddellijk voor mijn woorden en gedachten een breed publiek te hebben windt me op. De gedachte aan dat steeds terugkerende contact, spontaan en direct, met onzichtbare lezers bekoort me. Ik weet niet waardoor het komt. Het zal door een zeker bloed zijn dat in mijn aderen stroomt. Door het bloed, misschien, dat drukinkt heet.”

Nu is hij, godbewaarme (zou hij ook zelf zeggen), overleden, juist op het moment dat het vakantieseizoen begint. We kunnen hem eer bewijzen door allemaal een van zijn boeken mee te nemen en, dat vooral, te (her)lezen. Ik kies mijn favoriete boek van hem: Humeuren en temperamenten, ‘een encylopedie van het gevoel’.

Hier alvast een citaat: „Neerwaarts gericht is het menselijk lot, maar tijdens de korte vergissing tussen geboorte en dood klapwiekt hij amechtig voorwaarts en opwaarts.”

Ik zie u over een maand terug. Hopelijk.