Gekafte lafheid

De roman is verworden tot amusement voor de middenklasse, betoogt schrijver Marcel Möring. De roman is een hoer geworden.

In het sterfhuis van de roman is het al honderd jaar lang een komen en gaan van schrijvers, filosofen en critici die zich rond het doodsbed vergaren om hun deelneming uit te spreken. José Ortega y Gasset, Walter Benjamin, Roland Barthes, Tom Wolfe, Philip Roth, de lijst is lang en imposant. Maar hoewel vaker doodverklaard dan Hosni Mubarak en kwieker herrezen dan Jezus, de roman leeft nog steeds.

Hoewel? Veel valt er niet meer in te beleven. De stapels in de boekhandel bezwijken onder het soort brave, goedgemaakte three-part novels, waarvan Ford Madox Ford ooit zei dat iedereen er een kon schrijven.

De roman is braver, eenvormiger en marginaler geworden en het aantal verzoeknummers is navenant toegenomen. Zelden werd zo veel verwacht van de eenzame ploeteraar die thuis twee-, drie-, vier- of zelfs vijfhonderd pagina’s inzicht in het tijdsgewricht zit te schrijven. Meer straatrumoer, de harteklop van de tijd, als het even kan.

Het wordt allemaal samengevat in de brief die toenmalig premier Balkenende in 2006 aan Harry Mulisch schreef: ‘Waar is het maatschappelijk engagement van intellectuelen, schrijvers en kunstenaars gebleven? [...] een Grand Design, een brede visie, een ideaal’, wilde de leider des vaderlands graag zien. En het is niet alleen de politiek die weet wat de roman zou moeten zijn. Schrijvers, critici en filosofen blijven niet achter. Joost Zwagerman, Elsbeth Etty, Ger Groot, Maarten Doorman, Renate Dorrestein, ze hebben zich allemaal uitgesproken over de roman en wat die moet zeggen en tonen.

En, God, wat wordt er veel gezegd en getoond. Kijk naar wat er in de grote boekhandels op de tafels ligt en je weet precies wat er in de krant heeft gestaan. Het is alsof een schrijver tegenwoordig pas aan een nieuw boek kan beginnen als hij eerst de voorpagina’s van NRC Handelsblad en de Volkskrant van de afgelopen tien jaar heeft geïnventariseerd. Irak, onze nationale rampspoed, de financiële crisis, de thema’s die opduiken in de zaterdagse bijlagen: de roman is de vuilverwerking van de journalistiek geworden.

Gevoed door een eindeloze stroom bruin cafégelul op de televisie is de aandacht van publiek en pers voor het persoonlijke en het concrete toegenomen. Niet alleen de hevige actualiteit vindt een onderkomen in de literatuur, maar ook het autobiografische in de vorm van meestal trieste gebeurtenissen in het leven van de schrijver. Daar kunnen mooie boeken uit voortkomen, maar ik vraag mij af of iemand als Hermann Broch nu nog zou kunnen publiceren, of het gesloten universum van Beckett nog een publiek zou kunnen vinden, of er ooit nog een Schierbeek op zou kunnen staan, of dat monument van het Hollandse modernisme: Gerrit Krol?

Andrew Marr (politiek verslaggever bij de BBC) zat tien jaar geleden in de jury van de Samuel Johnson Prize voor non-fictie. Hij vatte zijn leeservaringen samen door zijn liefde voor de roman voorbij te verklaren. Het genre, aldus Marr, was vastgelopen in toegenomen technische beheersing en experimentele stilstand: ‘Het grote werk, de tijd van ontdekkingen, is voorbij en verdwenen en kan niet meer tot leven worden gewekt.’

Volgens Philip Roth gaat de roman ten onder aan iets heel anders: ‘Het boek kan niet met het scherm concurreren. Het kon niet concurreren met de televisie en het kan niet concurreren met de computer.’

Geen van beiden heeft gelijk, maar samen hebben ze een punt. Ja, de technische kwaliteit van het genre is toegenomen en, inderdaad, met al die jengelende schermen kan iets dat zo veel concentratie vraagt als de roman moeilijk concurreren. Maar veel belangrijker is dat met de toename van vakmanschap de experimenteerdrift is verdwenen. De roman is opgeschoven naar wat al die schermen allang en veel beter bieden: snelheid, actualiteit, amusement.

De roman is de weg gegaan van de eens zo grote politieke middenpartijen, die nu met quasipopulistisch aas vissen in de vijver van de kiezersgunst. Ze zien dat die verwatering van standpunten alleen nog iets oplevert als een soundbite of als aforisme toevallig een snaar raakt. En net zoals de kiezers weglopen naar partijen die wél duidelijk zijn, vanwege populistische horkerigheid of omdat ze nog steeds ergens voor staan, raakt de roman publiek kwijt aan non-fictie en literaire thrillers – de D66 en PVV van de literatuur.

J. M. Coetzee reageerde een jaar of twee geleden met verrassend enthousiasme op David Shields’ boek Reality Hunger, een manifest waarin hij de roman wel en niet dood verklaarde: ‘The novel is dead. Long live the antinovel, built from scraps.’ Coetzee schreef: ‘Ik heb ook schoon genoeg van de kunstig in elkaar gezette, knap gemaakte roman met zijn plot en zijn personages en zijn settings. Ik word ook aangetrokken door literatuur als [...] een vorm van denken, bewustzijn, wijsheid-zoeken.’

De reactie van Coetzee is interessanter dan het manifest zelf. Coetzee lijkt het pleidooi te omarmen voor het ruwe en onaffe van de roman en af te wijzen wat een kunstig gemaakt uurwerk is dat bewondering ontlokt omdat alles zo goed klopt, omdat de suspension of disbelief zo knap is volgehouden en de plot zo slim en verrassend. Die roman, een uitontwikkeld genre dat alleen nog iets voort kan brengen dat nu nog witter wast en met 25 procent extra inhoud wordt geleverd, mag verdwijnen.

Van mij mag die roman, dat staaltje knappe literaire timmermanskunst, ook weg. Geef mij de inzet, de passie, de sprong in het diepe en de honger naar het experiment van Schierbeek, Joyce, Krol, Frisch, Fowles, Beckett, Winterson. Maar probeer mij in godsnaam niet een anti-roman te verkopen als een vorm van werkelijkheid, zoals Shields wil.

Een vorm van denken, wijsheid-zoeken, zoals Coetzee schrijft? Ja, wat is literatuur anders? Maar dan niet met het idee dat alleen de werkelijkheid, het échte, iets oplevert. Een vorm van denken, bewustzijn, wijsheid-zoeken, maar dan persoonlijk (wat iets anders is dan autobiografisch). Losbandig en fantastisch, maar niet als een poging om de realiteit vorm te geven.

Het manifest van Shields, zo warm ontvangen door Coetzee, bekritiseert terecht het genrestukje, het circuskunstje dat overtuigende illusies kan creëren. Maar om daar nou de illusie van het echte tegenover te stellen...

De roman is niet dood. De roman is een hoer geworden. En dat heeft veel te maken met een vorm van lafheid die schrijvers, uitgevers, boekhandelaren en critici heeft bevangen. Om te dingen naar de gunst van de lezer, die succesvol het hof wordt gemaakt door non-fictie en literaire thrillers, is ‘de literatuur’ stilletjes naar de mainstream gekropen.

Schrijvers willen publiek verwerven of behouden door toegankelijke, vlotte boeken met veel harteklop van de tijd te schrijven die uitgevers graag als vrouwenboeken in de markt willen zetten (want net als de kerk wordt de literatuur in leven gehouden door vrouwen) en die door de boekhandel dan weer op overvolle tafels tussen tientallen andere boeken voor de culturele middenklassen worden gelegd.

God, wat haat ik de well-made novel, waarin natuurkundige wetten moeten gelden. Ik veracht de roman als een uurwerk, een meesterproef die appelleert aan die allersimpelste vorm van kunstwaardering: wat knap gedaan. De roman zou altijd gevaarlijk moeten zijn. Niet zozeer inhoudelijk, maar in het streven van de schrijver om verder te gaan, om het illusoire van de kloppende wereld te tonen en daardoor juist die wereld weer heel te maken.

De roman zou altijd een experiment moeten zijn, afstand moeten nemen van het idee dat een verhaal nu eenmaal bestaat uit een begin, een midden en een eind, van die saaie pagina’s vol met keurige alinea’s, van het idee dat een literair boek alleen maar uit letters mag bestaan, van het hele idee dát er zoiets bestaat als ‘het boek’.

Joyces Ulysses is nog altijd veelgelezen en invloedrijk, Schierbeeks experimentele romans waren bestsellers, Jeanette Winterson is een succesvol schrijver. Maar het lijkt of zij, dood dan wel levend, een ondersoort vormen van het geslacht Literaire Roman en dat het grootste deel van dat geslacht bestaat uit hele en halve klonen.

De roman is niet dood en zal niet sterven. Wij hebben de roman nodig. Er is geen vorm van kunst die met ons doet wat de roman met ons kan doen. Wie leest, maakt het verhaal. Als Krapp in Becketts Krapps laatste band vertelt hoe hij op zijn geliefde ligt in hun bootje en dat alles onder hen bewoog toen zij bewogen, zíjn Krapp en zijn geliefde daar, en beweegt de hele wereld. Als Joyces Leopold Bloom, terug van de slager, een nier bakt en in de werveling van geuren staat, sist de nier in de pan, stijgen de aroma’s om hem op en daarmee het besef dat boven, in haar bed, Molly in al haar volle romigheid ligt te stoven. Dit zijn werkelijke gebeurtenissen.

En dit is ook waar de roman ophoudt een tijdspassering voor beschaafde mensen te zijn. Dit is waar het verhaal verbinding zoekt met het magische moment uit de orale traditie: een groep zit rond het vuur, luistert naar de verteller en wordt op zijn woorden weggevoerd naar een andere wereld, ís in die andere wereld.

Het kan niet de bedoeling zijn dat we de literatuur als ‘af’ beschouwen en ons nu alleen nog maar bekennen tot de rechttoe-rechtaan vertelde, makkelijk te consumeren three-part novels? Er is toch een diepere bedoeling? Als dat waar is, en ik denk het, dan zullen we nieuwe vormen moeten zoeken voor onze tijd. Nieuwe onderwerpen zijn niet nodig. De thema’s in de literatuur, pakweg veertig, zijn al sinds het spijkerschrift dezelfde. Wat ons raakt is hoe het oude liedje opnieuw en vooral nieuw gezongen wordt.

In september verschijnt bij Athenaeum – Polak & Van Gennep een essay van Marcel Möring over de roman.