Een potje politiek handwerk

Moties indienen is een strategisch spel. Welke politieke maatjes hadden deze parlementaire periode het meeste succes?

Den Haag. De vergunningen voor windmolens op zee zijn zonder bureaucratische rompslomp verlengd.

Provincies en natuurorganisaties mochten meepraten over het natuurakkoord van Henk Bleker.

En paling afkomstig uit met dioxine verontreinigd water mag niet meer worden gevangen.

Allemaal dankzij Stientje van Veldhoven, Tweede Kamerlid voor D66. Zij diende moties in die dit regelden, en ze vond er een Kamermeerderheid voor. Van Veldhoven kreeg tijdens het kabinet-Rutte 51 moties aangenomen, meer dan enig ander Kamerlid. Haar geheim: de motie „nauwkeurig en voorzichtig formuleren” en „kleine stapjes maken” om geen partij tegen het hoofd te stoten. En ze heeft het voordeel dat D66 een middenpartij is, die zowel met rechts als links in de Kamer zaken kan doen.

Gisteren beleefde de Tweede Kamer formeel haar laatste dag. Dat betekent het einde van een bijzondere parlementaire periode. Een periode waarin de Tweede Kamer vooral te maken had met een minderheidskabinet van VVD en CDA, gedoogd door de PVV. De Universiteit van Amsterdam leverde aan deze krant een overzicht van moties die Kamerleden indienden vanaf de start van het kabinet tot 3 april – 20 dagen voor de val. Het zijn er in totaal 3.909.

Die cijfers zijn niet alleen interessant voor politieke junkies. Ze zeggen ook iets over de machtsverhoudingen in Den Haag. Wie kreeg het meeste voor elkaar? Wie zijn politieke maatjes?

Neem de coalitie van VVD en CDA. Die leunde dan wel op gedoogpartner PVV – de partij van Wilders steunde bijvoorbeeld 84 procent van de VVD-moties – maar wat kreeg de PVV ervoor terug?

Bar weinig, blijkt uit de gegevens. De VVD stemde slechts voor minder dan eenderde van de PVV-moties, het CDA niet veel meer. Gevolg was dat de partij van Wilders maar vier op de tien moties door de Kamer kreeg. Daarvoor was dan vaak hulp nodig van de SP, de partij die veel standpunten met de PVV deelt – kritisch op Europa, behoud van de sociale zekerheid, tegen kilometerheffing, meer geld naar ouderenzorg, tegen eigen risico in de zorg. Andersom stemde de PVV veel minder vaak mee met de SP, omdat de partij vastzat aan het gedoogakkoord.

De coalitie plus PVV dienden 923 moties in, minder dan een kwart van het totaal. Maar als ze het deden, dan was dat vaak met succes. Zo scoorde het CDA 96 procent aangenomen moties, de VVD 91, de ‘stille gedoger’ SGP 62. En met een politieke blik vooruit: mocht de SP na de verkiezingen in een kabinet willen met D66, is er nog veel werk aan de winkel. D66 steunde slechts de helft van de SP-moties. Samenwerking met het CDA en de VVD lijkt nog lastiger. Het CDA steunde minder dan een op de zeven SP-moties, de VVD minder dan een op de tien.

Moties indienen behoort tot het politieke handwerk. Kamerleden kunnen zo een wens of opdracht bij de regering neerleggen, al hoeft het kabinet die niet uit te voeren. Ieder Kamerlid kan een motie indienen, maar het vergt handigheid om een meerderheid in het parlement te vinden. CDA’ers zijn daarin heel effectief. Veel CDA’ers scoren zelfs 100 procent. Niet alleen omdat ze als coalitiepartij op een meerderheid kunnen rekenen en omdat ze als middenpartij „naar links en naar rechts kunnen rommelen”, zoals Kamerlid Ger Koopmans zegt (41 moties aangenomen, 1 verworpen). Zeker zo belangrijk is een goede strategie. Koopmans: „Het gaat om geven en nemen, gunnen en misgunnen. Die vier woorden heb ik altijd in mijn kop. Als ik vijf goede ideeën heb, geef ik er vier weg en doe ik er een zelf. Dan heeft de staatssecretaris aan het einde van het debat vijf moties van vijf partijen. En ik maar lachen. Ik krijg mijn zin en de volgende keer kan ik op steun van de anderen rekenen.”

Maar niet alle moties zijn bedoeld om daadwerkelijk het regeringsbeleid bij te sturen. Veel moties zijn „symboolmoties”, zoals Van Veldhoven ze noemt: „Een mooi maar politiek onhaalbaar streven. Je weet dat het niet lukt, maar je kunt je punt maken.” Henk van Gerven (SP): „Het is een mooie manier om te laten zien waar je als partij voor staat.” Van Gerven nam 144 moties voor zijn rekening, slechts 19 procent haalde een meerderheid. Ook PvdA-leider Diederik Samsom was weinig succesvol. Hij diende 14 moties in, 12 werden afgewezen. Samsom is daarmee een van de slechtst presterende Kamerleden. Al zit hij nog wel boven zijn partijvoorzitter Hans Spekman, die als Kamerlid nul uit 17 haalde.

Het aantal ingediende moties stijgt al jaren. In 2009 riep de Tweede Kamer in een onderzoek naar haar eigen functioneren op tot minder hyperigheid en meer terughoudendheid, ook bij moties. Dat is niet gelukt. Vorig jaar werd een recordaantal ingediend. Vroeger ging de Kamer spaarzamer met moties om, zegt Bert van den Braak van het Parlementair Documentatie Centrum van de Universiteit Leiden. „Moties werden ingezet als er onenigheid in de coalitie was. Dan kon je als oppositie toch een meerderheid proberen te vinden.” Tegenwoordig zijn veel moties overbodig, vindt hij. „Als bijna de hele Kamer iets vindt, dan is de boodschap wel duidelijk. Dan hoef je dat niet meer per motie te bevestigen.” Zijn conclusie: de motie-inflatie komt voort uit profileringsdrang.

Maar Stientje van Veldhoven vindt veel of weinig moties „niet per definitie goed of fout. Het ligt er bijvoorbeeld ook aan hoe gepolariseerd de verhoudingen op jouw terrein zijn.” Ze staat bij de komende verkiezingen in elk geval op de tweede plaats op de D66-kandidatenlijst, achter lijsttrekker Alexander Pechtold. Een beloning voor haar vele aangenomen moties? Van Veldhoven: „Dat weet ik niet, hoor.”