De valstrik van Almaqah

‘Putain, gaan we weer. Die pastilles helpen echt niet tegen die stinkbek van je.’

Sharif kijkt me met pretoogjes aan en geeft me een harde klap op mijn schouder. ‘Ta gueule, puree! Jammer dat er geen pastilles bestaan voor die babyface van je.’ Hij verdwijnt de nachtwinkel in. Tussen de afbladderende rekken vol ordeloos gestapelde chips zie ik twee lummelende jongens hun rug rechten en hun sportvestjes strak trekken om zich bij Sharif in uitbundige begroetingen uit te putten.

Ik zak dieper in de zetel weg en zet de La Fouine-cd harder. Sharif wil geen mp3’s in z’n autoradio. De radio zelf is het pronkstuk van zijn wagen: een oude Samsung, met een zoekfunctie op alle bandbreedtes en volgens Sharif een pure balans tussen lage en hoge klanken. Het handschoenenkastje is leeg. Sharif zou naar mijn mening zijn pistool moeten meenemen, maar dat wil hij zelf absoluut niet. Je sterkste wapen is het wapen dat je niet gebruikt, zegt hij.

Het kadertje met de foto’s van Bob Marley en Diego Maradona, die vroeger Sharifs pennenzak opvrolijkten, bengelt aan de achteruitkijkspiegel. Sharif werd op school wel eens uitgelachen vanwege zijn bewondering voor die vergane glories, met hun slordige haardossen en argeloze glimlachen. Sharif betoogde dat ze meer trots en vechtlust bezaten dan de onderkoelde, grimmige en strak gestileerde hiphoppers die de rest van de school aanbad. Bovendien had hij toen al de reputatie een genadeloze wreker te zijn in de toiletten en op de parking van de Delhaize naast de school. Al snel werd zijn afwijkende idolatrie respectvol aanvaard.

De rechterhand van Sharif El Abboud. Manser dan ik ooit voor mogelijk heb gehouden, belangrijker dan de rest van Molenbeek. Als ik nu iemand in het gezicht trap, is mijn hoofd leeg. Meestal hoor ik zelfs muziek terwijl ik op m’n slachtoffer losga. Niet dat je op dat moment nog van een slachtoffer kan spreken – we zijn dan twee eunuchen die elkaar ter vermaak van een sultan aanvallen en genadeloos afranselen. Twee inwisselbare narren.

Of misschien zijn we twee sperwers die urenlang bewegingloos naast elkaar zitten op een hoogspanningskabel. Er ligt een diepe schoonheid in de willekeur van mijn geweld.

Een tik op het raam. Ik zie de openhangende mond van de Turk, voel de moeizame ademhaling door de autoruit heen. Hij moet ons zijn gevolgd. Ik weet wie hij is, heb zijn haviksneus en matte kraaloogjes al vaak gezien. Zijn hoofd rijst als een ballon uit de kraag van zijn vest. Hij gebaart me het raampje te laten zakken.

Zo achteloos mogelijk draai ik m’n raam open.

‘Oui, mon frère?’ Ik zal het ritme van deze conversatie dicteren.

‘Ça va, ici?’ Hij lijkt zijn mond met uitgesproken knaagdiertanden niet helemaal te kunnen sluiten.

‘Ja, maar geen tijd. We moeten iemands benen breken.’ Ik kijk hem strak aan.

‘A l’aise. Ik ken dat. Iedereen moet zijn rekeningen betalen. Maar ik wed dat jullie ook graag relaxen. Jij en de chauffeur.’

‘Zoals iedereen,’ zeg ik. De Turk blijft tegen het dak van de wagen leunen.

‘Houden jullie van bomen?’

‘Quoi?’

‘Of jullie van bomen houden. In het park. Je hebt hier toch mooie bomen, niet? Jij en je pote. Tu vois, ik heb zo’n vermoeden. Dat jullie twee graag in bomen kruipen.’

Ik blijf voor me uitkijken.

‘Ah, ça doit faire du bien, in zo’n boom zitten. Lekker uit het zicht. Misschien wil je gewoon even vriendschappelijk zijn knie aanraken? Dat vindt hij vast lekker, in zo’n boom.’

Ik zag eens een Vietnamfilm waarin een Amerikaanse soldaat over een huisgemaakte boobytrap liep. Voor de bom afging, maakte ze een ratelend geluid. Toen dat ophield, werd het lichaam van de Amerikaan aan stukken gereten door de scherven en luchtverplaatsing van de zware bom. Vanaf het moment dat de Turk aan het raam verscheen, ratelde mijn bom. Nu valt de ratel met een klik stil. Ik grabbel naar de klink. In de weerkaatsing boven het dashboard hoor ik mijn stem overslaan. Nog voor mijn voeten op de grond staan slaat hij mijn hoofd tegen de wagen. Ik zak in elkaar, mijn petje scheef op de kruin.

Dan: Sharifs silhouet dat de wegstuivende auto nastaart en zich dan over mij heen buigt.

‘Grosse salope de merde! Youssef, wat is hier verdomme gebeurd? Wie is er met m’n auto vandoor?’

‘D’Turk,’ antwoord ik zwakjes.

Sharif richt zich op en probeert zijn ademhaling onder controle te brengen. Vanuit mijn perspectief lijkt hij meer dan ooit een kolossus.

Sharif vloekt één keer luid en schopt tegen de paal van een verkeersbord. Ik krabbel overeind en spuw op de grond. Sharif kijkt me aan.

‘Hoe heeft hij dat geflikt?’

‘Hij stond er opeens, zei dat wij des trucs PD doen in bomen.’

‘Wat? Bomen? Kon je hem niet gewoon bezighouden tot ik terug was?’

‘Maar, hij beledigde me.’

‘Nu heeft hij m’n auto. Wat denk je dat belangrijker is? Espèce de mongol, il nous a baisé!’

Ik zwijg. Sharif pakt zijn telefoon.

‘Wahib, kom ons halen. We zijn in de Paalstraat en de Turk is er vandoor met onze auto.’

Er klinkt een luide kreet door de telefoon. Daarna snel gebrabbel. Sharifs gunst is een gegeerd goed.

Ik haat Wahib. Met zijn platte, eeuwig grinnikende smoel, zijn onzinnig gebrul tijdens voetbalwedstrijden op televisie, zijn achterbakse opmerkingen over vrienden en plezier over andermans tegenslagen.

We wachten in stilte. Ik steek een sigaret op en rangschik de berichten in de inbox van mijn telefoon. Eén mapje voor vrienden, één mapje voor familie, één mapje voor anderen.

De volgende ochtend word ik met luid geroep onder mijn slaapkamerraam wakker. Ik steek mijn hoofd naar buiten en zie imam Farzaoui met de handen naar de slapen grijpen.

‘Mais qu’est-ce que tu fous, Omar? Ben je helemaal gek?’

Buurman Omar klapt de koffer van zijn oude zwarte Volkswagen open en trekt er een langwerpig voorwerp uit, ingepakt in een lichtbruine deken.

‘Allah zij ons genadig, hij zal de hele wijk vervloeken,’ jammert de imam. Enkele oude vrouwen snellen naar hem toe en proberen hem te kalmeren. Wat verderop oefenen enkele kinderen hun radslag. Omar plaatst het beeld rechtop. ‘Hij is bezeten! Hij wil een afgodsbeeld in zijn tuin plaatsen.’

Onbewogen door de opschudding neemt Omar een stuk van de deken weg en toont de omstanders de ogen in de vorm van een vissenlijf, het kapsel als een soldatenhelm die wordt bedekt met haarslierten, en de neus, groot en puntig. De vrouwen zijn te verward om te schrikken. ‘Dit kan je niet maken, Omar,’ zegt de imam beslist.

‘Ik ben een vrij man. Ik zet Almaqah in mijn achtertuin, daar heeft niemand er last van.’

‘Ik ga dit bespreken met de andere imams, Omar.’

‘Je doet maar. Jullie doen allemaal maar, met jullie hersendode slavenrituelen. Ik vraag van mijn god meer dan geboden en beperkingen. Ik wil een god die mij uitdaagt om de duisternis te trotseren. Donne-moi l’inconnu! C’est là-bas, où je retrouverai ma force!’ Omar neemt het beeld weer in zijn armen en gaat zijn huis in .

Omars afgoderij zindert na in mijn gedachten. Ik pak mijn telefoon. Niets. Ik stuur Sharif een bericht.

‘Straks int cafe plan maken?’

Nog geen minuut later komt het antwoord.

‘Nee. Ga met Wahib. Wij lossen dit op.’

Ik wankel op een losscheurende rotspunt, en Wahib trapt, met voetstoten vol venijn, tegen de steen aan.

Sharif is vertoornd en verblind door het verlies van zijn auto – een kleinere misstap zou hij me vergeven. Ik kan maar één kant op: de duisternis tegemoet.

Het regent zachtjes wanneer ik ’s avonds de deur achter mij dichttrek en op mijn scooter naar Noord trek.

Na wat aandringen bij mijn neef uit Schaarbeek ben ik meer te weten gekomen over de Turk. Zijn naam: Onur. Een naam voor een handelaar, denk ik, maar ik voel Turkse namen niet zo goed aan. Hij hangt vaak in een café aan het Noordstation.

De kerstverlichting in het café knippert onregelmatig achter het raam. Voor de deur staan een paar mannen geanimeerd te praten. Een dronken zwarte vrouw met een oranje kleed hangt hen om beurten om de nek. Ze probeert er een paar woorden tussen te krijgen, maar de mannen negeren haar. De Turk is er niet.

Naast mij aan de toog voeren een reusachtige zwarte kerel, wiens rood satijnen hemd er maar net in slaagt zijn borstkas te omspannen, en een dikke Italiaan met een fijn brilletje op de neus een gesprek over lelijke mensen. De zwarte lacht af en toe hoog en hikkend.

‘Ik zag onlangs ook een waanzinnig lelijke gast,’ werp ik er tijdens een onderbreking in hun gesprek tussenin. Ik beschrijf de Turk. ‘Maar, die kerel, dat is Onur!’ De Italiaan is enthousiast. ‘Hey, Deniz! Deniz! We hadden het hier over lelijke kerels, en deze knul hier beschrijft gewoon Onur!’ De zwarte barst in een onhoudbare hikbui uit.

‘Hoe ken je Onur, vriend?’ Deniz praat verbazingwekkend mooi, niet in dat hakkelige tempo en met die slecht gekauwde Franse woorden van de meeste Turken en Arabieren in Brussel. Zijn quizmastertimbre stelt mij allerminst op mijn gemak: dit is een kompaan van Onur, de Turk, de adder, de oorsprong van mijn falen bij Sharif.

‘Eh bien, ik kom uit Molenbeek. Onur heeft daar intussen wel een reputatie opgebouwd. Iedereen heeft het er over hem.’

Deniz’ aandacht is gegrepen. Hij leidt me naar een tafeltje, onder een grote gesigneerde foto van Marouane Fellaini, de lokale voetbalheld die al een aantal jaar des sacs plein de frics verdient bij Everton. De dikke barman met het uitdunnende kapsel trekt afwezig een ranzige doek over onze tafel. Ik kijk Deniz aan.

‘Je weet misschien dat Onur de auto van Sharif El Abboud gestolen heeft?’

Deniz’ gezicht blijft onbewogen.

‘En tout cas, Sharif is geen klein beetje pissig, heb ik gehoord. Dans son propre quartier, recht onder zijn neus, is zijn auto gepikt. Wollah! On se tape un délire, we amuseren ons rot, dat zweer ik je.’

Deniz kijkt me aan met twijfel. ‘Zo? Jullie vinden het leuk, dat Sharifs voetstuk wankelt?’

‘Tu rigoles, quoi? Denk je dat wij allemaal jaknikkers zijn in Molenbeek? El Abboud is een megalomane klootzak. Niemand anders krijgt de kans om des frics te verdienen.’

Deniz tuit begrijpend de lippen en knikt.

‘Daarom wil ik die auto overnemen.’

‘Wat moet jij met de auto van El Abboud?’

‘Simpel. Stel je voor wat het hem zal doen als hij ons in zijn favoriete kar door Molenbeek ziet rijden. Een grotere middelvinger kan ik niet bedenken.’

‘Denk je dat hij dat zal laten gebeuren?’

Het zijn toevalligheden die het teugelloze paard van wantrouwen van een onheilspellende maar weifelende draf tot een volle, onstuimige galop aansporen. Uit de mist van traag schuivende koplampen – verbeten op zoek naar de hoeren – en dobberende kortgeschoren kruinen duikt Wahib plots op. Door het besmeurde caféraam kijkt hij me aan en loopt door. Dankzij de adrenaline weet ik de draad verbazend snel terug op te pikken.

‘Dat hij hem probeert terug te pakken. Alors enfin encore un peu de bagarre dans le quartier. Het koninkrijk van Sharif El Abboud is voorbij.’

Deniz denkt even na. ‘Ik zal wat mensen aanspreken.’

‘Oké. Maar ik handel enkel met jou. Jou ken ik.’

Als ik terug op straat kom, verwacht ik dat Wahib me opwacht. De straat is leeg. Ik tuur even beide richtingen op. Wat had je hier te zoeken, broeder?

De regen tikt nog steeds tegen mijn slaapkamerraam wanneer ik de volgende dag een sms van Deniz krijg: ‘Onur gaat akkoord. Wil 1000 euro.’

Ik heb geen duizend euro. Nog een stap verder het onbekende in. Ik sms terug dat ik vanavond langskom. Ik heb Sharifs pistool nodig.

Sharif is thuis. Hij zit in zijn slaapkamer en kijkt niet op van zijn computerscherm wanneer ik binnenkom.

‘Ça va?’ vraag ik, terwijl hij zijn kaarten schikt in een online pokerspel.

‘Gaat wel.’

‘Luister, Sharif, ik weet hoe belangrijk die auto voor je was…’

‘Aan excuses heb ik niets, Youssef.’

‘Ik weet het.’ Ik ga op zijn bed zitten. Voor ik iets kan bedenken om hem de kamer uit te krijgen weerklinkt een verdieping hoger een zware bons gevolgd door een doorvoelde kreet. Zijn broers zijn aan het vechten geslagen. Sharif uit een gesmoorde vloek en beent de kamer uit.

Ik open de onderste lade van zijn kast. Het voelt zwaar aan, maar ik weet eigenlijk niet hoe veel een geladen wapen hoort te wegen. Na enig geknoei slaag ik erin de lader uit de kolf te schuiven. Sharifs computerscherm weerspiegelt op de tippen van twaalf glanzende kogels, perfect gestapeld in het magazijn. Ik kan het wapen nog net in een vuile handdoek wikkelen, in mijn ruime jaszak steken, met mijn voet snel de lade sluiten en op het bed gaan zitten wanneer Sharif weer binnenkomt.

Hij gaat zitten en pokert onverstoord door. Het steeds levendiger wordende vooruitzicht van een geslaagde afloop wipt op en neer in mijn keel. Ik mag hem geen valse hoop geven. Bovendien zullen zijn vreugde en dankbaarheid veel groter zijn als ik hem bij verrassing de auto teruggeef.

Ik ga naar een café waarvan ik weet dat oude mannen er komen om domino te spelen. Ik breng er zes uur door, alleen aan een tafel. De paar beleefde vragen die me gesteld worden wimpel ik met een kort maar oprecht vriendelijk antwoord af. Voor het eerst in mijn leven voelt het alsof ik met recht tussen de oude mannen zit. Om een uur of negen sta ik op, betaal mijn rekening en ga naar het metrostation.

Ik wurm me achter een rijzige zakenman aan door de metropoortjes en neem lijn 6 richting Noord. Straks kom ik met de auto terug.

Het is eindelijk opgehouden met regenen, de lucht ruikt zoutig en voelt zwaar. Wanneer ik het café nader voel ik even aan de zware, in stof verpakte klomp in mijn jaszak.

Als ik opkijk staat Wahib voor me.

Wahib, Wahib, valse broeder. Ik heb je nooit vertrouwd. Je bent lang genoeg de adder geweest die Sharif, mijn Sharif, aan de borst koesterde. Met je dikdoenerij. Je gespeelde vrolijkheid. Hij grijpt me bij de arm en begint gejaagd te praten.

‘Youssef, ga niet terug naar het café. Ik heb met mijn neef gepraat. Die Deniz is niet te vertrouwen. Volgens m ijn neef is hij wat van plan.’

‘Een valstrik? Daar weet jij vast alles van.’

‘Wat?’

‘Hoe wist de Turk ons te vinden bij de nachtwinkel?’

‘Mais putain, bedoel je nu dat ik…’

‘Dubbelspel, vriend.’ Ik haal het pistool uit mijn zak.

‘Maar wat doe je nu? Pu-tain! Youssef, je bent gek!’

‘Nee, Wahib, ik ben niet gek. Jij bent un chméta, un traitre, mon vieux.’

Ik wil hem neerschieten, maar het lukt niet. In plaats daarvan haal ik uit met de kolf. Zijn opgestoken arm komt te laat, het wapen komt met een klap op zijn schedel neer en gaat af. De kogel vliegt rakelings langs mijn zij en boort zich in de grond. Ik merk het amper en geef Wahib een knietje tegen het voorhoofd. Er komt dit keer geen muziek bij te pas – dit is persoonlijk. Ik ga zo lang door dat ik bang ben hem uiteindelijk toch gedood te hebben. Ik buig me naar hem toe en hoor hem onregelmatig ademhalen. Ik verlaat het steegje.

Zonder omwegen zet ik koers naar Le Désir. Deniz wacht aan de toog. Ik vraag me af of mijn gezicht de razernij van daarnet verraadt. Hij vraagt om het geld, ik zeg dat ik eerst de auto wil zien. Hij knipoogt en neemt me mee naar een zijstraat.

Daar staat hij dan, de grijze strijdwagen. Ik zie meteen dat de hanger met de foto’s van Maradona en Marley nog steeds aan de achteruitkijkspiegel hangt en de gekoesterde schapenvellen beschermhoes nog om het stuur zit. Mijn zoenoffer wordt met een strik eromheen afgeleverd. Ik zeg Deniz dat ik de auto van binnen wil controleren. Wanneer hij de sleutels uit zijn jaszak vist, geef ik hem met het pistool een klap op het achterhoofd.

Ik neem de sleutels uit zijn slappe hand en open het portier. Mijn handelingen gaan vanzelf, verraden niets. Aan het einde van de straat geef ik teken aan de chauffeur van een Mercedes dat hij voor mag. De chauffeur wenkt dat ik eerst mag gaan. Ik aanvaard sierlijk zijn gebaar en werk me vlotjes door de kleine Schaarbeekse straatjes naar de grote weg toe.

De Basiliek van Koekelberg staat als de Poolster aan mijn persoonlijk firmament, wegwijzer richting Molenbeek, mijn thuis en mijn verlossing. Met veertig kilometer per uur glijd ik over de brede Brusselse lanen. Wat ooit door een kolonialistische gek met geplunderd vermogen uit Afrika aangelegd werd strekt zich nu voor mij uit als het pad van mijn persoonlijke triomftocht.

De Turk heeft de La Fouine-cd niet aangeraakt. Ik zet de muziek oorverdovend hard en wuif uitbundig naar chauffeurs die mij passeren. De meesten blijven strak voor zich uitkijken. Een enkeling wuift terug.

Ik stuur Sharif een sms. ‘Kom naar buiten. Heb iets voor je.’

De Ribaucourtstraat is compleet leeg, behalve twee pubers die met bengelende benen op een elektriciteitskast zitten en mijn groet afwezig beantwoorden. Sharif staat buiten te wachten. Ik kan de uitdrukking op zijn gezicht nog niet goed lezen, maar neem toch de tijd om rustig aan zijn deur te parkeren. Ik wuif en tik geestdriftig op het dashboard.

Een voorzichtige glimlach vormt zich op Sharifs lippen. Hij laat zijn hand even over de motorkap glijden.

‘Hoe heb je… Maakt ook niet uit.’ Hij loopt om de wagen heen, naar mij toe en omhelst mij. Ik voel mijn benen trillen. Mijn missie was niet zinloos: twee krijgers hervinden elkaar, we kunnen weer met het geheven hoofd onder de maan staan. De wereld is aan ons, nu.

Uit mijn ooghoek zie ik een zwarte wagen de hoek om draaien. Iets in me ontlokt een tweede blik en ik merk dat het de zwarte Mercedes is die me in Schaarbeek voorrang verleende. Ik heb geen derde blik nodig om te beseffen wat er gebeurt, ben altijd al een snuggere jongen geweest. Ik heb de realiteit alleen nooit zo goed begrepen. Ik schreeuw ‘neer!’ en trek Sharif aan zijn middel naar de grond. Al vallend zie ik een stel knaagdiertanden door het raampje grijnzen.

Ik weet niet goed of ik dood ben. Ik lig tegen Sharifs buik aan en richt me langzaam op. Op zijn voorhoofd en kaak sijpelt bloed uit twee kleine, perfect ronde wonden. De motor van de wagen braakt rook uit. Sharifs haren kussen het asfalt en spreiden zich als zwarte manen over de bodem uit. Ik leg mijn hoofd opnieuw op zijn buik. De jonge leeuwen liggen terug in hun hol. Laat ons nu maar slapen in de duisternis.