De penseelstreek die omslaat en opspat

Beeldende kunst

Naar zee. De zee in de Nederlandse kunst sinds 1850. Tm 2/9 in De Hallen, Haarlem. Inl: dehallen.nl ****

Vorig jaar was de zomertentoonstelling van De Hallen in Haarlem gewijd aan het Hollandse landschap in de kunst sinds 1850. Weilanden en bloembollenvelden, poldersloten en rivieren waren er te zien. Grote afwezige in dat overzicht: de zee.

Die heeft dit jaar dan ook een hele zomertentoonstelling voor zichzelf gekregen. Er zijn ruim 120 kunstwerken bijeengebracht waarin de zee een rol speelt: van een romantisch zeegezicht met bliksem door Louis Meijer en een doorweekt schilderij met op het strand geparkeerde bomschuiten van Jacob Maris tot de nog maar vijf jaar oude video Nummer 8 – Everything is going to be alright, waarin kunstenaar Guido van der Werve als een klein zwart poppetje wandelt over een Finse ijsvlakte, die direct achter hem wordt kapotgevaren door een gigantische ijsbreker.

Voor zover er bestaande zeeën zijn voorgesteld, zien we meestal de Noordzee of de Zuiderzee van voor de Afsluitdijk – wat dat betreft is Van der Werve met zijn Finse ijszee een uitzondering. En wat is een zee in Nederland? Een kaarsrechte horizon met lucht erboven en water eronder. Een ontzagwekkende ruimte, maar als mogelijkheid voor composities beperkt op het saaie af. Jan Goedhart (1893-1975) trok een potloodlijn langs een liniaal en schilderde daar wat slap gekabbel onder. Gertjan Kocken fotografeerde in 1999 een weinig opzienbarend zeegezicht, dat alleen betekenis krijgt als je weet dat het de zee bij Zeebrugge is, waar in 1987 de Herald of Free Enterprise zonk. Nu houdt zij zich koest, maar toen verslond deze zee in één nacht 192 mensen.

De zeevarende schilder Willem Bastiaan Tholen maakte in 1929 een schilderij van de Zuiderzee dat dezelfde vlagachtige compositie heeft als Kockens foto, maar zich veel langer laat bekijken. Van dichtbij zie je hoe de vloer van bruinachtig water is opgebouwd uit penseelstreekjes in veel verschillende tinten. Met al die streekjes samen heeft Tholen toch ook perspectief en beweging in het water weten te krijgen. Hij kende dat water door en door, dat is duidelijk.

De mooiste zee op de tentoonstelling is Zee 4 (1958) van Edgar Fernhout. „Ik moet helemaal ‘zee’ worden of ‘dooi’ of ‘winter”, om zee, dooi en winter te kunnen schilderen”, zei hij ooit, en uit dit schilderij blijkt waar zo veel inlevingsvermogen toe kan leiden. Fernhouts omkrullende golven in de zon zijn heel veel watervalletjes naast en achter elkaar. Zijn schilderij is een ballet van kleurstaafjes, van penseelstreken die omslaan en opspatten. Je hoort de verf haast ruisen.

Ja, dat is het: bij zulke schilderijen kan de welwillende kijker zich voorstellen dat hij op het strand staat. Hij voelt het zand tussen zijn tenen, ruikt het zout en het zeewier. Hij hoort de zee, de meeuwen en de ronkende motor van een vliegtuigje dat – in een ander schilderij, van Co Westerik – langs de kust vliegt. Wie deze zomer naar de zee wil, hoeft niet op goed weer te wachten.

Alleen de figuratieve schilderkunst van nu komt er in dit brede overzicht wat bekaaid af. Goed, er hangen dik en wild geschilderde zeestukken van usual suspects Armando en Jan Cremer en er is een groot doek van Robert Zandvliet, die duinen, zee en wolkenlucht in brede, halfdroge kwaststreken heeft gestileerd tot iets over-esthetisch, tot een soort cliché van moderne schilderkunst. Zulk werk moet er misschien ook zijn, maar ik mis tegenwicht. Van bijvoorbeeld Harold Schouten, die al een jaar of tien een strandhuisje heeft en door alle seizoenen heen, op alle momenten van de dag de gedragingen van de Noordzee bestudeert en vastlegt. Ik mis Christiaan Kuitwaards schilderijen van aangespoelde schuimvlokken en de Spilliaert-achtige, zuigende perspectieven met boulevards en zeeweringen van Bert Osinga en Koen Vermeule. Ik mis de zeeën van Joanna Quispel, Hans Versfelt, Roos Schuring en andere goede schilders die vorige week nog deelnamen aan Schilderen aan zee in Katwijk.

Zo verschillend als ze zijn zetten al die hedendaagse schilders de traditie van Tholen en Fernhout voort. Kijk, zeggen ze, de zee. Armando, Cremer en Zandvliet zeggen vooral: kijk mij!