De Bovenbazen (46)

Heer Ollie besloot zich over zijn neerslachtige stemming heen te zetten. Hij nam een stok uit de paraplustandaard en begaf zich op weg naar het terrein waar het nieuwe element gewonnen werd.

Het is toch werkelijk mooi wat men met geld kan doen, dacht hij opbeurend onder het voortgaan. Denk eens aan; één gram Solium levert voldoende energie voor heel Rommeldam. Een jaar lang. Dat is toch prachtig? Ach, ik moet me maar niets aantrekken van de dingen die onvermogenden tegen me zeggen. Ik moet dapper voortgaan op mijn eenzaam pad.

Zo denkende wierp hij een blik om zich heen en nu viel het hem op dat hij zich door een woestijn bewoog. Omgewoelde en gescheurde aarde strekte zich tot aan de horizon uit en het gaan werd bemoeilijkt door vernietigde rotspartijen en omgevallen woudreuzen. Nu werd ook zijn aandacht getrokken door monsterachtige machines, die zich aan de einder brullend bezighielden met het verpulveren van de grond.

‘Welkom!’ riep de geleerde, die de leiding had van het werk. Hij had de naderende energiekoning opgemerkt en kwam hem nu halverwege tegemoet.

‘Een grootaardiger arbeid, wat?’ vervolgde hij. ‘Komt mede en neemt alles rustig in ogenschouw. Het zal gevallen!’

‘J-ja,’ stamelde heer Ollie, wiens ademhaling bemoeilijkt werd door dichte stofwoken. ‘W-wat g-gebeurt hier eigenlijk?’

‘Wij gewinnen der Solium,’ verklaarde de professor. ‘De bodem is hier zeer rijk met dit element begiftigd. Twee vierkante kilometers vermalen landschap leveren reeds een gram Solium op!’