Complex gevoel in simpel liedje

Als Carole King achter de piano ging zitten, maakte ze soms in een paar uur een klassieker. Honderdveertig hits schreef ze. Toch bleef ze lang onzeker, blijkt uit haar memoires.

Carole King in Rockefeller Plaza, New York, op 22 november 2012 Foto Lee/Everett Collection

Carole King: A Natural Woman. A Memoir. Uitg. Virago, 488 blz. € 27,90.

Als songschrijver haalde Carole King een record: ze is de vrouwelijke componist met de meeste hitsingles van de vorige eeuw, te weten 118 stuks . In de jaren zestig en zeventig bedacht de Amerikaanse King, met toenmalige echtgenoot Gerry Goffin, en later alleen, liedjes die hebben bijgedragen aan ons beeld van wat popmuziek is. Denk aan de doo wop van Up On The Roof (gezongen door The Drifters), de tienergein van The Loco-Motion (Little Eva), de soul van A Natural Woman (Aretha Franklin), het hippiegevoel van Wasn’t Born To Follow (The Byrds) – en nog 114 andere. King schreef haar liedjes met diepte en onverwachte wendingen, maar met genoeg souplesse om ze door velen gewaardeerd te laten worden.

Over die liedjes, haar jeugd, huwelijken en kinderen, schreef Carole King onlangs een autobiografie, vernoemd naar het nummer dat een van de hoogtepunten van haar carrière zou worden. Op een dag liep ze met Goffin op Broadway toen ze Jerry Wexler, producer bij platenmaatschappij Atlantic, tegenkwamen. Wexler zei ‘Ik zoek een hit voor Aretha. Kunnen jullie iets schrijven met de titel Natural Woman?’.

Na de autorit terug naar huis in New Jersey ging King achter de piano zitten, speelde enkele gospelakkoorden in een ritme van 6/8, en Goffin schreef de tekst. De volgende ochtend was het nummer af. Het werd een van de bekendste hits van Aretha Franklin, en later nog opgenomen door King zelf, door Mary J. Blige, Céline Dion, en, in aangepaste versie, Rod Stewart.

Afgezien van dit lied, geeft King weinig toelichting op het ontstaan van de nummers. Meestal ging ze aan de piano zitten, alleen of in gezelschap van coryfeeën als Brian Wilson, Bob Dylan en James Taylor, en ‘een paar uur later’ was het werk gedaan.

Haar eerste succes met een zelfgeschreven liedje had King op haar achttiende, met Will You Love Me Tomorrow, gezongen door girlgroup The Shirelles. De reden dat Carole ooit liedjes ging schrijven was, zoals ze hier vertelt, om het respect van leeftijdsgenoten te winnen. Carole King, die eigenlijk Carol Klein heet, was in 1942 in Brooklyn, New York, geboren in een Joods gezin – vader brandweerman, moeder huisvrouw – met een liefde voor toneel en muziek.

Jongens

Carole was slim, dus sloeg ze een paar klassen over en was ze twee jaar jonger dan haar klasgenoten, en veel kleiner. Jongens zagen haar niet staan, of noemden haar – o horror – ‘cute’.

Carole stortte zich op de rock ’n’ roll die ze hoorde bij radio-dj Alan Freed, en ontsnapte van huis naar Greenwich Village om live muziek te horen. Haar eerste eigen liedjes waren muzikaal vaardig, schrijft ze, maar tekstueel nogal knullig. Vanaf het moment dat ze, op haar zeventiende, Gerry Goffin ontmoette, met hem trouwde, twee dochters kreeg en begon samen te werken, was dat probleem verholpen.

Goffin had het talent om ingewikkelde gevoelens in simpele zinnen te vangen, zoals King illustreert met een citaat uit Up On The Roof: ‘On the roof, it’s peaceful as can be/ And there the world below can’t bother me’ [...] ‘Right smack dab in the middle of town/ I’ve found a paradise that’s trouble proof/ Up on the roof’. Ze schrijft: ‘Laat het maar aan Gerry Goffin over om het aards paradijs te omschrijven – ‘trouble proof’ –, en het ook nog te laten rijmen met ‘roof’.

Dit nummer van The Drifters zou later een mijlpaal voor haar blijken. De eerste tien jaar van haar loopbaan meende Carole dat ze geen teksten kon schrijven, én dat ze zelf niet kon zingen. Ze begeleidde anderen op de piano, maar zong niet live.

Tijdens een concert in New York, met de populaire singer/songwriter James Taylor, zette Taylor haar voor het blok. Hij introduceerde Up On The Roof, gebaarde naar King achter de piano en zei ‘Dames en heren, Carole King!’. En hoewel ze hoopte dat het podium haar ter plekke zou verzwelgen, begon ze met wankele stem te zingen.

Dankzij de reactie van het publiek, dat in haar de schrijver van het lied herkende, groeide haar vertrouwen en eindigde ze het nummer in triomf. Vanaf dat moment was King een autonome zangeres. Ze speelde solo of met band, speelde piano of rockgitaar, en trad op voor 200.000 mensen.

Kaskraker

Haar onzekerheid over het schrijven van teksten overwon ze na de breuk met Goffin in 1968, toen ze liedjes voor zichzelf begon te schrijven, zoals voor de kaskraker Tapestry (1971) dat de klassieker You’ve Got A Friend voortbracht en zes jaar in de hitlijst zou staan.

Ze was inmiddels verhuisd naar Los Angeles. Ze beschrijft de liederlijke feesten en stonede dagdromen van de hippiemuzikanten in Laurel Canyon – ‘Andere bands krijgen enorme voorschotten, dus wij binnenkort ook. Wat ik je brom.’ Buurman neemt een grote hijs van een joint: ‘Ja natuurlijk man, wij ook, wij zijn tenslotte de grooviest band in de buurt.’ – met een interieur vol zitzakken en Het Tibetaanse Dodenboek in de boekenkast.

Maar King gebruikte geen drugs, zij deed aan yoga en meditatie. Twee huwelijken later en met een succesalbum onder haar arm, keerde King zich af van de popglamour van Los Angeles. Ze trok met haar vier kinderen (van twee vaders) naar een hut in Idaho, waar ze water uit de put schepte, naar het dorp skiede en ’s ochtends de geiten melkte. Ze vloog op en neer naar Los Angeles om cd’s op te nemen, maar muziek speelde een steeds kleinere rol.

Vanaf de jaren tachtig, als ze is verhuisd naar een verlaten ranch, zakt het verhaal in, want een juridisch conflict over een openbare weg die King privé wil houden, is voor de betrokkenen wellicht enerverend maar voor de lezer niet. De kwestie leidde ook nog eens tot de scheiding van echtgenoot nummer vier.

Vanaf eind jaren tachtig is King goeddeels vrijgezel, en groeiend actief. Ze acteert in films en het theater, maakt soundtracks, zet zich in voor het milieu, schrijft liedjes met haar twee ‘Goffin-dochters’ en met Goffin zelf. Dat King volwassen werd in de jaren zestig is soms te merken aan zweverige opmerkingen over natuur, vrijheid en de menselijke ziel. Maar voor het overige geldt in dit openhartige boek hetzelfde als wat King over haar vroegere echtgenoot beweert: ze zegt veel met weinig woorden.