Charlatanerie of diepe ernst?

De Franse filosoof Gilles Deleuze stelt de meest fundamentele vragen over het denken – totdat de geest van zijn lezers ervan tolt.

Gilles Deleuze: Verschil en herhaling. Vert. Joost Beerten en Walter van der Star. Boom, 480 blz. € 59,50

Peter de Graeve: Gilles Deleuze en het materialisme. Klement/Pelckmans, 319 blz. € 24,95

Jarenlang heb ik erover getwijfeld of de Franse filosoof Gilles Deleuze een gewiekste charlatan of juist de diepste denker van zijn generatie was. Dat is minder bizar dan het klinkt. De alom geachte Poolse denker Leszek Kolakowski begon zijn prachtige boek Horror metaphysicus een kwart eeuw geleden al met de opmerking dat een hedendaagse filosoof die ‘nog nooit het gevoel heeft gehad een charlatan te zijn, wel een oppervlakkige geest moet wezen wiens werk vermoedelijk niet de moeite van het lezen waard is.’

De Vlaamse filosoof Peter de Graeve maakt zich in zijn zojuist verschenen boek Gilles Deleuze en het materialisme al even weinig zorgen over dat verwijt. ‘Alle insinuaties als zou de filosofie van Deleuze niets anders zijn dan wetenschappelijke charlatanerie, zijn correct,’ zo schrijft hij. Maar, zo voegt hij daar onmiddellijk aan toe, over de filosofische waarde van diens denken zegt dat nog niets. Het is immers maar zeer de vraag of filosofische inzichten per se moeten beantwoorden aan een eenheidsmodel van wetenschappelijke kennis.

Voor wie een beetje sceptisch is ingesteld, doet dat het ergste vermoeden. Vergezichten van peilloze zweverigheid lijken zich te zullen openen, zodra we ook maar één van de bijna dertig boeken van Deleuze zouden openslaan. Mistige logica en gedachtenacrobatiek zouden ons tegemoet walmen uit het werk van de filosoof wiens faam zich pas na zijn dood in 1995 wereldwijd is gaan vestigen. Niet alleen in de filosofie maar ook in de architectuur, de film, de beeldende kunsten en zelfs in het politieke denken leek zijn grote vriend Michel Foucault gelijk te zullen krijgen met zijn voorspelling dat ooit de hele wereld ‘deleuziaans’ zou zijn.

Zover is het nog niet gekomen, maar ook om een andere reden zou de scepticus zijn angst kunnen bezweren. Zoals uit de titel van het boek van De Graeve al blijkt, wilde Deleuze in de eerste plaats een materialistische denker zijn. Net als zijn grote voorbeelden Nietzsche en Spinoza koesterde hijzelf een diep wantrouwen jegens onaardse speculaties die zich beter thuisvoelen in een ideeënhemel dan op de vaste grond van de werkelijkheid. En net als bij die twee had dat veel verder reikende gevolgen dan het ‘nuchtere’ realisme wel meent. Met de wending tot de aarde zijn de filosofische problemen niet opgelost, maar beginnen ze eigenlijk pas – zo liet Deleuze steeds weer opnieuw zien, tot de geest van zijn lezers ervan tolde.

Duizelingwekkend

Nergens valt dat beter te ervaren dan aan Deleuzes filosofische hoofdwerk Verschil en herhaling uit 1968, dat nu in een mooie Nederlandse vertaling beschikbaar is gekomen. De abstractiegraad van die verhandeling is duizelingwekkend – en ze moet dat zijn wil Deleuze zich ontworstelen aan de ingeboren neiging van het denken om zich boven de werkelijkheid te verheffen. Bijna vanzelf – zo stelt hij vast – reduceren wij de wereld immers tot onze ideeën daarover en nemen dus bij voorbaat al afscheid van de materiële werkelijkheid op zich. We denken in abstracte, algemene begrippen (‘de wereld’, ‘de materie’, ‘het ik’) – misschien wel juist wanneer we er het diepst van overtuigd zijn met onze gewone taal de alledaagse realiteit niet te verlaten.

Wie die werkelijkheid recht wil doen, mag dus niet uitgaan van een idee waarvan hij vervolgens in de echte wereld allerlei voorbeelden meent te herkennen, aldus Deleuze. Hij ziet niet een algemeen begrip boven een aardse werkelijkheid zweven, maar binnen die laatste alleen maar allerlei dingen ná elkaar verschijnen, in een herhaling van zaken die tegelijkertijd steeds een beetje van elkaar verschillen. De vraag is niet hoe we de wereld moeten vatten in ideeën die daar los van staan. De vraag is hoe het mogelijk is dat er vanuit de materiële werkelijkheid zoiets als ‘ideeën’ opkomen.

Het denken moet dus tegen zijn eigen illusies in denken. Die oefening maakt Deleuzes denken zo desoriënterend en onwetenschappelijk. Ook de positieve wetenschap, zo heeft Nietzsche al opgemerkt, gaat immers als vanzelfsprekend uit van de bruikbaarheid en waarheid van haar begrippen. Ze ‘vat’ een wereld die ze al bij voorbaat tot haar eigen concepten heeft gereduceerd.

Maar hoe is dat laatste mogelijk? zo vraagt Deleuze zich af. Hoe kun je materialist zijn en toch begrijpen hoe de materie zelf een ideële dimensie in zich bergt? Want een materialistische filosofie kan er niet mee volstaan het denken naar het rijk van de fabelen te verwijzen en alle ideeën tot hersenschimmen verklaren. We dénken immers – anders zouden we zelfs geen ‘materialisten’ kunnen zijn. In plaats van de toestand te versimpelen, maakt het materialisme de situatie dus ingewikkelder, wil het de werkelijkheid althans niet vervalsen en voor een deel daarvan simpelweg de ogen sluiten.

Deleuze heeft Dick Swaab nooit gekend, maar diens boek Wij zijn ons brein zou een mooie case-study voor hem geweest zijn. Wie mentale processen reduceert tot stroomstootjes en interactie tussen cellen, moet immers één ding zorgvuldig buiten zicht houden. In zijn uitleg moet hij verzwijgen dat volgens die optiek zo’n ‘uitleg’ helemaal niet kan bestaan. Stroomstootjes begrijpen immers niks – en met zijn boek probeert Swaab zijn lezers juist tot begrip te brengen.

Dat is geen wetenschappelijke paradox, maar een filosofische. Het is dan de taak van de filosofie daar zicht op te krijgen en daarom hoeft zij er niet bang voor te zijn voor ‘onwetenschappelijk’ te worden versleten. Het is haar opdracht door te vragen naar het allereerste begin, tot daar waar het vragen zelf begint, en die opdracht is door Deleuze uiterst serieus genomen. Daarom heeft zijn filosofie iets klassieks. Juist in de onvoorspelbaarheid en de brutaliteit waarmee zij vragen stelt bij álles, wil ze staan in een traditie die terugreikt tot vóór Plato.

Onderbelicht

Peter de Graeve noemt Deleuze in zijn boek ‘binnen de Franse naoorlogse wijsbegeerte veruit de origineelste denker’ en hij weet diens ideeën op een aanstekelijke manier tot leven te brengen. Enigszins onderbelicht blijft bij hem wel het boek dat Deleuze in 1972 beroemd maakte: de studie Anti-Oedipus die hij schreef samen met de psychiater Félix Guattari en die in die jaren na mei-68 een ware cult-status kreeg. Verwonderlijk was dat niet. Wat Deleuze in Verschil en herhaling met de filosofische grondbegrippen had gedaan, deed hij nu met de ideeën van de psychoanalyse. Niet van bovenaf maar van onderaf moest de menselijke psyche worden geanalyseerd. Dat wil zeggen: niet vanuit een ordelijk en beheerst zelfbewustzijn, maar vanuit de baaierd van het ‘aardse’ onbewuste met zijn driften.

Het Oedipus-complex, waarin volgens de psychoanalyse aan de kinderlijke drift voor het eerst een Wet werd opgelegd, mocht niet langer de toegang tot een geordend burgerleven worden, maar werd de vijand van een veelbelovend seksueel vrijheidsideaal.

Het is ironisch dat dit boek pas twee jaar geleden in het Nederlands verscheen. De dromen van de jaren zeventig zijn inmiddels vervlogen of worden zelfs verketterd. Een nieuw moralisme is ervoor in de plaats gekomen, minstens zo heftig verdedigd door links als door rechts. Deleuze zou er een teken in hebben gezien van de hernieuwde noodzaak van het boek.

Anderen zouden wijzen op de verborgen angels in dat zo aantrekkelijk ogende ideaal. Seksuele drift is nu eenmaal nooit geheel zonder geweld en de bevrijding daarvan heeft zo haar risico’s. En hetzelfde geldt voor het ideaal van het ‘nomadische leven’ dat Deleuze en Guattari in hun vervolgdeel op Anti-Oedipus verkondigden. Vrij van wetten en vastigheid zijn we in de afgelopen decennia inderdaad geworden, maar dan wel op de onverwacht kapitalistische wijze van het flex-contract en de levenslange onzekerheid van de zzp-er.

Dat alles heeft Deleuze inderdaad tot een van de intrigerendste filosofen van de afgelopen halve eeuw gemaakt – maar ook tot een van de ongemakkelijkste. Zijn boeken nodigen voortdurend uit tot tegenspraak en ongeloof, en toch kun je je niet eenvoudig afmaken van de vragen die hij opwerpt.

Daarin is hij inderdaad ongehoord klassiek: een onvervalste filosoof in het ongewisse gebied tussen de diepste ernst en ongrijpbare charlatanerie. Ook nu weet ik nog altijd niet goed tot welk van de twee ik bij mijn oordeel over Deleuze besluiten moet. En des te verontrustender èn fascinerender is het dat dat er in diens werk eigenlijk nauwelijks toe doet.