brieven

Dirk de Geer

Meindert van der Kaaij heeft een vlot en leesbaar boek geschreven over de ‘eenzame staatsman’ Dirk de Geer, besproken door Mark Kranenburg (Boeken, 08.06.2012). De auteur trekt in zijn proefschrift fel van leer tegen andere historici die kritiek hebben durven uiten op het defaitistische gedrag van minister-president De Geer. Hij zou zelfs, aldus prof. Koole bij de promotie, de vinger hebben gelegd op ‘Dirk Stapel-achtige toestanden’. Maar het is jammer dat Van der Kaaij zijn toevlucht neemt tot suggestieve opmerkingen om het blazoen van zijn held schoon te wassen. Ook de compositie van het verhaal wordt daaraan ondergeschikt gemaakt.

Op 20 mei 1940, dus nog geen week na het bombardement op Rotterdam en de capitulatie van het Nederlandse leger, spoorde De Geer voor de Engelse radio de Nederlandse autoriteiten aan om met de Duitsers samen te werken. Dat was ‘hun plicht’. De bevolking werd gemaand zich tegenover de bezetter ‘kalm en ordelijk te gedragen en zich te onthouden van elke handeling, waardoor de normale verhoudingen verstoord worden’. Over de gevallen Nederlandse militairen werd geen woord gezegd. De Geer zei namens de regering te spreken, maar had zijn rede geheel op persoonlijke titel geschreven zonder de koningin en de overige ministers daarin te kennen. Zelfs zijn ambtgenoot Van Rhijn, partijgenoot en medestander in het kabinet, vond de toespraak ‘vreselijk’. Iedereen was er volgens hem ‘ontdaan’ over. De Enquêtecommissie 1940-1945 oordeelde dat De Geer, ‘geheel levend in de sfeer van de door rechtsvoorschriften beheerste oorlogvoering, geen begrip bleek te hebben voor de wijze waarop de oorlog door het nationaal-socialisme werd gevoerd’. Zijn eigenzinnig optreden vond de commissie ‘onjuist’ (2A, 163).

Merkwaardig toch dat Van der Kaaij die toespraak pas in een van de laatste (na-oorlogse) hoofdstukken van zijn boek noemt en de kwalificatie ‘onjuist’ niet vermeldt. De lezer wordt daarmee bewust op het verkeerde been gezet. Zoals de Enquêtecommissie zelf al aangeeft, maken De Geers woorden immers duidelijk waarom verschillende van zijn ambtgenoten en de koningin na zijn toespraak geen vertrouwen meer stelden in deze oorlogspremier, deze ‘alter Mummelgreis’ zoals de Duitsers hem al voor de oorlog noemden.

Hierbij kwam zijn dreigen met aftreden als de ministerraad niet instemde met zijn voorstel contact te zoeken met Hitler over een mogelijke vredesregeling en zijn plan in augustus in Zwitserland vakantie te houden. Een daarom al onzinnig idee omdat de Engelsen hem nooit een uitreisvergunning zouden hebben gegeven. Dat Wilhelmina hem ontslag als minister-president verleende ‘tegen de zin van de rest van het kabinet’, zoals Van der Kaaij stelt (354), is pertinent onjuist.

In het kabinet was bij wijze van halfslachtig compromis overeen gekomen dat De Geer zou vertrekken als minister-president, maar kon aanblijven als (vak)minister van Financiën. Het is begrijpelijk dat de koningin en Gerbrandy als de voor het ontslag verantwoordelijke nieuwe premier hiervoor niet voelden. Zij wilden het nieuwe kabinet met een schone lei laten beginnen. Evenzeer onjuist is Van der Kaaij's bewering (338) dat De Geer zich in de ministerraad van 22 juli 1940 voor zijn vredesplan beriep op Colijns beruchte brochure ‘Op de grens van twee werelden’. Die brochure werd pas na De Geers aftreden in Londen bekend.

Mijn biografie van Gerbrandy, die haar voltooiing nadert, biedt ruimschoots de gelegenheid op de persoon van De Geer in het oorlogsjaar 1940 terug te komen. Ik kan dan ook enkele ongegronde verwijten recht zetten die zijn biograaf aan mijn adres (en dat van andere historici) heeft geuit. Op deze plaats zal ik de lezer daarmee niet vermoeien.

Cees Fasseur

Rafael

In de bespreking die Bram de Klerck schreef over David Rijsers Rafael’s Poetics (Boeken, 29.06.2012) heet paus Leo X ruimdenkend. Hij was de paus die Luther door de ban uit de kerk zette vanwege de publicatie van diens 95 stellingen. Op zijn ruimdenkendheid valt dus wel wat af te dingen!

J.P. de Vries, Amersfoort