Bezuinigingscultus ondermijnt EU

Het beleid van bezuinigingen in Europa is niet alleen economisch ondeugdelijk en maatschappelijk ontwrichtend, maar ook politiek naïef, betoogt Amartya Sen.

Illustratie Pavel Constantin

De droom van de Europese eenwording gaat minstens terug tot de vijftiende eeuw, maar de dringende noodzaak in onze tijd werd bewezen door de smerigheid van de wereldoorlogen in de twintigste eeuw. De beproeving werd begin 1939 goed beschreven door dichter W.H. Auden:

In the nightmare of the dark

All the dogs of Europe bark,

And the living nations wait,

Each sequestered in its hate;

Het is belangrijk te beseffen dat de beweging voor een Europese eenwording begon als een kruistocht voor grensoverschrijdende vriendschap en politieke eenheid, gekoppeld aan een vrijer verkeer van personen en goederen. De prioriteit aan financiële eenwording, met een gemeenschappelijke munt, kwam veel later. Tot op zekere hoogte is híérdoor gaandeweg het oorspronkelijke streven naar een Europese eenheid ontspoord.

De zogenoemde ‘reddings’-pakketten voor de geplaagde economieën van Europa hebben de nadruk gelegd op draconische bezuinigingen op de openbare diensten en de levensstandaard. In de landen die door de bezuinigingen zijn getroffen, hebben de ellende en ongelijkheid van het proces de gemoederen geprikkeld en geleid tot weerstand – en gedeeltelijke niet-naleving. Hierdoor zijn op hun beurt de leiders van de landen die deze ‘redding’ bieden weer geïrriteerd. Juist wat de pioniers van de Europese eenheid wilden wegnemen – het onbehagen tussen de Europese landen – is aangewakkerd door dit haat en nijd zaaiende beleid (weerspiegeld in het soort retoriek als ‘luie Grieken’ of ‘heerszuchtige Duitsers’ – het hangt er maar van af waar je woont).

Als gevolg hiervan reiken de kosten van het mislukte economische beleid veel verder dan het economische leven – hoe belangrijk dat ook is. Er dreigt geen terugkeer naar 1939, maar het is niet bevorderlijk voor Europa als de honden blaffen; misschien niet teruggetrokken in haat, maar dan toch in wrok en minachting. Ook aan de economische kant heeft het beleid zeer averechts gewerkt, met dalende inkomens, een hoge werkloosheid en diensten die verdwijnen, zonder de verwachte heilzame uitwerking van een verlaging van het tekort.

Wat is er misgegaan? Twee zaken moeten worden onderscheiden: ten eerste het averechtse karakter van het bezuinigingsbeleid dat regeringen is opgelegd – of, zoals in Groot-Brittannië, vrijwillig is gekozen – en ten tweede een gerechtvaardigde verdenking inzake het gebrek aan levensvatbaarheid van de gezamenlijke euro.

Het morele appèl van de bezuinigingen is bedrieglijk sterk (‘als het pijn doet, moet het wel helpen’), maar de economische ondoelmatigheid is al minstens duidelijk sinds John Maynard Keynes zich afzette tegen „de remedie van de bezuinigingen” in de grote crisis van de jaren dertig, met werkloosheid en onbenutte capaciteit als gevolg van een gebrek aan effectieve vraag. Ook bij de terugdringing van overheidstekorten schieten bezuinigingen hun doel voorbij. Meestal drukken ze de economische groei. Ze verminderen dus de overheidsinkomsten. Een groot deel van de eurozone is sinds het begin van dit beleid eerder gekrompen dan gegroeid.

Maar we moeten nog veel verder gaan dan Keynes om de schade te begrijpen die wordt aangericht door de verkeerd gekozen bezuinigingscultus. We moeten ons afvragen waartoe overheidsuitgaven dienen, anders dan alleen een versterking van de effectieve vraag (waarop Keynes zich richtte: op de uitgaven zelf, in plaats van op de diensten die ze bekostigden). Verwoede bezuinigingen op belangrijke openbare diensten ondermijnen de maatschappelijke betrokkenheid zoals die in Europa in de jaren veertig is ontstaan en die heeft geleid tot de komst van de verzorgingsstaat en de nationale gezondheidszorg – een goed voorbeeld van publieke verantwoordelijkheid waarvan de hele wereld zou leren.

Wat het tweede probleem aangaat – de euro, met vaste wisselkoersen voor alle landen in de eurozone: economieën die achterblijven in de productiviteitswedloop ontwikkelen meestal een gebrek aan concurrentiekracht in hun export, zoals landen als Griekenland, Spanje of Portugal al hebben ervaren. Het concurrentievermogen kan natuurlijk worden hersteld, althans gedeeltelijk, door te snijden in de lonen en de levensstandaard, maar dit zou leiden tot enorme ellende (grotendeels onnodig), en begrijpelijk volksverzet oproepen. Een sterke stijging van de ongelijkheid tussen gebieden is uiteraard te verhelpen door grootschalige migratie binnen Europa – bijvoorbeeld van Griekenland naar Duitsland – maar het valt moeilijk aan te nemen dat een blijvende bevolkingsinstroom naar dezelfde landen daar geen politiek verzet zou oproepen.

De starheid van de vaste wisselkoers van de euro is een inherent probleem als de economische prestaties van de landen blijven verschillen. Een eenheidsmunt in een politiek verenigd federaal land (zoals in de Verenigde Staten) dankt zijn voortbestaan aan aanpassingsmechanismen (waaronder een grote binnenlandse migratie en aanzienlijke overdrachtsbetalingen) die in een politiek verdeeld Europa nog geen maatstaf kunnen zijn.

Het Europese economische beleid is niet alleen economisch ondeugdelijk, maatschappelijk ontwrichtend en moreel in strijd met de verbondenheid die na de Tweede Wereldoorlog in Europa is ontstaan, het is ook nog eens politiek naïef. Het beleid is door de financiële leiders gekozen zonder dat ze veel moeite hebben gedaan om een serieuze publieke discussie over dit onderwerp te voeren.

Besluitvorming zonder publieke discussie – de geijkte praktijk bij de vorming van het Europese financiële beleid – is niet alleen ondemocratisch, maar ook ondoelmatig wat betreft een doordachte ontwikkeling van praktische oplossingen. Zo is een serieuze afweging van het soort institutionele hervormingen dat hard nodig is in Europa – niet alleen in Griekenland – eerder belemmerd dan geholpen door de vervaging van het onderscheid tussen enerzijds de hervorming van bestuurlijk rammelende regelingen (zoals mensen die belastingen ontduiken, overheidsfunctionarissen die vriendjespolitiek bedrijven of de handhaving van onhoudbaar lage pensioenleeftijden), en anderzijds bezuinigingen in de vorm van een meedogenloze vermindering van publieke diensten en de sociale basiszekerheid. Door de vereisten voor zogenaamde financiële discipline zijn beide veelal samengevoegd tot één pakket, ook al zou in een analyse van sociale rechtvaardigheid een beleid tot noodzakelijke hervorming altijd heel anders worden beoordeeld dan meedogenloze bezuinigingen op belangrijke publieke diensten.

De problemen die we in Europa zien, zijn vooral het gevolg van beleidsfouten: een afstraffing van een verkeerde volgorde (munteenheid eerst, politieke eenheid later), van verkeerde economische argumenten (waaronder de veronachtzaming van de Keynesiaanse economische lessen en ook van het belang van openbare dienstverlening aan de Europese bevolking), van een autoritaire besluitvorming en van de aanhoudende intellectuele verwarring tussen hervormingen en bezuinigingen. Niets is op het ogenblik zo belangrijk in Europa als een nuchtere erkenning van alles wat zo ernstig is misgegaan in de verwezenlijking van de brede visie op een verenigd Europa.

Amartya Sen is een Indiase econoom.

© Guardian News and Media Limited 2012.