Bergen

“Wacht maar tot de bergen, jongen.”

Ja, dat krijg je ervan. Oudere, ervaren collega’s waarschuwen je, of misschien zijn ze wel een beetje jaloers op je succes. Je staat stijf bovenaan in de Tourpool van je werk, onder meer doordat je Fabian Cancellara, Peter Sagan, André Greipel, Edvald Boasson Hagen, Mark Cavendish en Matthew Goss hebt opgenomen in je selectie. Elke dag krijg je weer een mailtje waarin de organisatie van de pool met lichte tegenzin toegeeft dat je ook deze dag weer de meeste punten hebt gescoord.

Dit overkomt mij dus.

Klimmers heb ik ook hoor, heus. De topfavorieten Cadel Evans en Bradley Wiggins ontbreken niet in mijn keurkorps, zomin als Jurgen Van den Broeck en Bauke Mollema – maar is het genoeg voor de eindoverwinning? De knagende onzekerheid blijft. Had ik de inmiddels uitgevallen sprinter Marcel Kittel maar ingeruild voor een man met soepele pedaaltred bergop, voor een Samuel Sánchez of Jelle Vanendert!

Ik vrees de bergen. Ben ik dan toch te karakteriseren als een sprinter, net als het grootste deel van mijn selectie? Breekt het gebrek aan inhoud me op? Het rekenen is begonnen. Hoeveel punten levert het op als je de nummer zeven van de eindklassering in je ploeg hebt? Zal Tejay van Garderen die witte trui nog afstaan in de komende weken? En Cancellara, die zal toch wel gewoon de tijdritten winnen?

De dopingperikelen rond Lance Armstrong kunnen me vandaag maar matig interesseren. En het is leuk hoor, dat die jonge Belg nog bijna het peloton was voorgebleven in Saint-Quentin, maar mijn gedachten zijn elders. Ik leef tussen hoop, vrees en mijn rekenmachine.