Alweer gazettenpraat

I edere dag staat een erehaag klaar om de winnaar van de etappe en de dragers van klassementstruien te begroeten. Regionale notabelen. Zo zijn ze ook gekleed. Ze kunnen linea recta de tractor op om het hooi binnen te halen.

Soms maakt een vrouw deel uit van het ontvangstcomité. Zij wil de triomferende renner graag zoenen, maar weet niet of het wel mag. Dat is moeilijk. Haar lippen zijn reeds onderweg als ze in een ultieme reflex toch maar de hand uitsteekt. Het hoofd zweeft moedeloos na op een ander lichaam.

Protocol.

De Tourdirectie is er gek op. Maar de kunst ervan verstaat ze niet. In Luik stond Eddy Merckx als vierde in de rij om handen te schudden. Om het op zijn Vlaams te zeggen: Eddy stond achterin. Een paar boerenkinkels van wethouders en de plaatselijke politiechef gingen hem voor.

Toch, Eddy bleef blozen.

De grootste afgang van een wielerkampioen voltrekt zich in Bernard Hinault. Sinds jaar en dag ceremoniemeester in de Tour. Hij is er om de renners tot protocollaire handreiking te bevelen. In Bretonse hoekigheid duwt hij ze zachtjes de paljassen van de dag uit. Aan deze chef podium is geen vreugde te beleven. Dat laat hij ook onverbloemd zien, in grimassen van vork en riek.

Dan is Eddy Merckx lief gebleven. Bijna naïef lief.

Met hem kan je nog over alles praten, over titaniumframes en derailleurs, over rijke maaltijden en goede wijnen, over verscheurdheid tussen sport en business. Dat hij de Tour moest verlaten voor een zakenreis naar Canada vond hij niet leuk. De saaie sprintersetappes van de eerste week kwamen hem ook de strot uit. Hij vond er zijn eigen mooie romantiek niet in terug.

Met Eddy moet je altijd het café sluiten, maar begin niet over doping. En dus ook niet over Lance Armstrong. Dan zie je zijn ogen smeken: is er nog een dame in de buurt? Het is aandoenlijk hoe hij doping blijft taboeïseren. Alsof het een gevreesde ziekte uit vooroorlogse jaren is.

Syfilis, misschien.

Een deal van het antidopingagentschap USADA met gewezen ploegmaats van Armstrong om The Boss aan de galg te praten? Eddy wil het niet eens horen: „Gazettenpraat.” Hij kent George Hincapie als zijn binnenzak. New Yorkers denken te groot voor dat soort gekonkel, wil hij maar zeggen.

Het licht van de duisternis blijven ontkennen: het hoort bij een generatie wielrenners uit de vorige eeuw. Het is ze niet eens kwalijk te nemen. Het was hun Koude Oorlog met passie en idolatrie.

Hun recht op privacy.

Dat geldt niet voor Armstrong die het wielrennen nu al ruim tien jaar gegijzeld houdt met zijn vermeende onschuld. Met zijn handlangers van de UCI en zijn beproefde intimidatietechnieken. Zelfs dat mag je niet zeggen van een halve zool als Rob Harmeling. De bevlogen idealist Armstrong en doping: hoe kom je erbij?

Zou er in bijna 100 jaar Tour één renner zijn geweest die zonder doping de gele trui mee naar huis nam? Niet een. Van Jacques Anquetil mocht dat geweten zijn, van Hinault niet. Zoals hij zich nu dubbel plooit in gênante deftigheid, zo plooide hij zich vroeger dubbel in veterinaire ongereptheid.

Il faut le faire.

Ik zou graag een Tour meemaken zonder te worden herinnerd aan de industrie Armstrong. Een Tour van eenlingen en zonderlingen. En dan eerder naar de Venetiaanse ruïne Pantani dan naar het impermeabele masker Evans.