Column

Wat de financiële wereld nog steeds niet snapt

Soms komt een schandaal als geroepen.

Vandaag een week geleden had ik contact met een onderzoeksbureau dat de reputatie van de Nederlandse financiële wereld peilt. Banken, verzekeraars en pensioenfondsen. ’s Avonds deed de BBC in schrille bewoordingen verslag van de recordboete voor de Britse bank Barclays wegens manipulatie van de Libor rente. De reactie van minister van Financiën George Osborne klonk eerder als die van een SP-Kamerlid dan als die van de conservatief die Osborne is.

Het schandaal onderstreepte mijn hoofdlijn in het reputatie-onderzoek. Financiële instellingen missen de kern van wat zij werkelijk zijn. Zij doen niet in financiële producten. Dat is de afgeleide, de uitwerking van hun kernbedrijf.

Hun kernbedrijf is de vertrouwensbusiness, met excuses voor de lelijke samentrekking van woorden. De financiële wereld doet een beroep op ons vertrouwen, of we nu consumenten zijn met spaargeld, een beleggingspolis of hypotheek of een bedrijf vertegenwoordigen met kredieten of deposito’s.

Je kernwaarde niet begrijpen is geen exclusief falen van de geldwereld. De farma-industrie is de financiële sector wel ten voorbeeld gesteld, bijvoorbeeld vanwege de rigoureuze testen van nieuwe producten. Dat blijkt niet zaligmakend, gezien de misleidingen waarover de Britse farmaceutische gigant GlaxoSmithKline een miljardenschikking met de Amerikaanse justitie is overeengekomen. Ook hier: niet het product is het kernbedrijf, maar vertrouwen.

Voor de geldwereld moet financiële soliditeit het fundament zijn voor het vertrouwen van het publiek. Letterlijk. Een bank die omvalt heeft niet alleen zelf gefaald, maar zet door de associatie, alleen al in haar naam, ook andere banken in een kwaad daglicht.

Het is niet eerlijk tegenover solvabele banken à la de Rabobank, maar ja: een crisis is nooit eerlijk.

Wat betreft financiële soliditeit heeft een deel van de bedrijfstak het lelijk laten afweten. Niet alleen hier. Dat verklaart een deel van de woede tegenover de City . De Britse overheid moest twee grote banken redden. Het afstandelijke toezicht op financiële instellingen is compleet in diskrediet geraakt. De City blijkt geen parel in de kroon, maar een vrijplaats voor ladenlichters.

De financiële wereld beseft niet hoeveel woede het publiek nog heeft. Over producten als woekerpolissen. Over hoge salarissen, bonussen en het gevoel dat banken, verzekeraars en pensioenfondsen geen lering trekken. De crisisgedreven anti-elite stemming versterkt dat alleen maar. Vandaar de politieke animo voor extra belastingen én de waarschuwing dat het niet ten koste van extra kredietverlening mag gaan.

De klant centraal is het nieuwe mantra, maar dat doet me teveel denken aan de zogeheten klantgerichtheid die de banken bijvoorbeeld een jaar of dertig geleden opeens ontdekten. Wat deden ze daarvoor dan eigenlijk? Opzichtig je eigen klanten ‘vieren’ is ...tja, net iets te opzichtig.

De financiële wereld moet terug naar soberheid (beloningen; hoogte van de hoofdkantoren), simpelheid (producten; organisatie) en saamhorigheid. Dat laatste is de zekerheid dat het belang van u als klant hetzelfde is als dat van de bank(medewerker). Dat de geldmannen en -vrouwen aan uw kant staan. Dat u daarop kunt vertrouwen. De klok tikt. Als de financiële wereld zelf niet opschiet, zijn er genoeg politici die op hun manier het vertrouwen willen herstellen.